


Beperkt heffingsrecht in Nederland bij in buitenland gehouden lucratief belang
Op 28 januari 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch de eerdere uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 7 maart 2024 bevestigd. Het Gerechtshof concludeert dat bij een onmiddellijk gehouden lucratief belang dividenden onder het dividendartikel en vervreemdingswinsten onder het vermogenswinstartikel van het belastingverdrag vallen, en dus (in tegenstelling tot het standpunt van de Belastingdienst) niet onder het niet-zelfstandige arbeid artikel.
De casus
Een in Duitsland woonachtige persoon houdt een lucratief belang in een Nederlandse vennootschap en ontving in 2018 dividend en behaalde een vervreemdingswinst. De Belastingdienst betoogde dat dit inkomen naar 'haar ware aard' arbeidsinkomen betreft, omdat het een beloning is voor de in dienstbetrekking verrichte arbeid en dus onder het arbeidsartikel valt, waardoor Nederland ruim mag heffen.
Het standpunt van de Belastingdienst
De inspecteur volgt het Besluit van de staatssecretaris van Financiën (16 november 2021), dat een onderscheid maakt tussen middellijk en onmiddellijk gehouden lucratief belang. Volgens het Besluit vallen inkomsten uit een onmiddellijk gehouden lucratief belang onder het arbeidsartikel, terwijl die bij een middellijk gehouden lucratief belang onder het dividend- en vermogenswinstartikel vallen. Onder verwijzing naar het OESO-commentaar, betoogde de inspecteur verder dat inkomen uit een lucratief belang wel degelijk arbeidsinkomen betreft voor verdragsdoeleinden. In het commentaar van artikel 15 staat namelijk dat het arbeidsartikel van toepassing is op aandelenopties die door een werkgever zijn verstrekt.
Oordeel van de Rechtbank en het Gerechtshof
Zowel de Rechtbank als het Hof verwerpen deze redenering. Het inkomen wordt niet gekwalificeerd als 'salaris, loon en andere soortgelijke beloningen', omdat de wetgever er expliciet voor heeft gekozen om lucratief belang tot het resultaat uit overige werkzaamheden te rekenen, en niet tot loon. Daarnaast verwerpt het Hof het standpunt met de verwijzing naar het OESO-commentaar van artikel 15. Uit datzelfde commentaar blijkt namelijk dat het arbeidsartikel niet langer van toepassing is, nádat de aandelenopties zijn uitgeoefend of vervreemd.
Een herkwalificatie tot arbeidsinkomen zou een fictie inhouden die verdragsrechtelijk niet standhoudt. Daarnaast wijst het Gerechtshof op een inconsistentie in het standpunt van de inspecteur, namelijk dat de 'ware aard' van inkomen niet afhankelijk kan zijn van de structureringskeuze van een belastingplichtige.
Praktische gevolgen
Het bevestigde oordeel van het Gerechtshof betekent voor de praktijk dat Nederland bij onmiddellijk gehouden lucratieve belangen slechts beperkt mag heffen wat haaks staat op het Besluit van de staatssecretaris. De vraag is nu of de staatssecretaris beroep in cassatie zal instellen.
