ANBI
28/05/2020 HVK Stevens

ANBI jurisprudentie update mei 2020

 Rechtbank: ANBI zorgstichting moet handen aan het bed hebben

Als gevolg van het uitblijven van een ‘restcategorie’ in artikel 5b Awr verliest stichting de ANBI-status 

Onlangs is er een rechtbankuitspraak gepubliceerd over een stichting die zich bezighield met zorg, ondergebracht in dochtervennootschappen die zij aanstuurde. Deze uitspraak zou, indien deze wordt doorgetrokken naar ANBI’s in het algemeen, verstrekkende gevolgen kunnen hebben. Wij achten de uitspraak onvoldoende gemotiveerd en de uitkomst onterecht. Hieronder gaan wij specifieker op de zaak in. 

 De zaak uitgelegd 

In deze zaak was aan de orde of een zorgstichting die zich na een herstructurering nog bezighield met beheer- en beleidstaken in de gezondheidszorg nog wel de ANBI-status kon behouden. Zij voerde deze taken sinds 1 mei 2017 uit als aandeelhouder van diverse zorg-BV’s en beoogde met deze taak de gezondheidszorg te dienen en te bevorderen. 

De Belastingdienst heeft op 9 maart 2020 de ANBI-status met terugwerkende kracht tot 30 april 2017 ingetrokken. 

Geschil: terechte intrekking van de anbi-status? 

De Belastingdienst stelt dat belanghebbende als gevolg van de herstructurering fungeert als beheersstichting en niet meer zelf rechtstreeks werkzaam is in de zorg. Uit de Memorie van Toelichting bij de Geefwet volgt dat enkel instellingen die zich met gezondheidszorg bezighouden en zorgtaken verrichten als ANBI kunnen kwalificeren. De activiteiten van belanghebbende bestaan uit werkzaamheden die niet vallen onder de ANBI-categorieën ex artikel 5b Awr. 

Belanghebbende stelt dat in haar situatie de ‘doorkijkbenadering’ geldt, waarbij de activiteiten van het concern als geheel, voorwerp van de beoordeling dienen te zijn. 

Beoordeling van het geschil  

De Rechtbank overweegt dat de activiteiten van de stichting niet primair en rechtstreeks het algemeen belang dienen: de daadwerkelijke zorg wordt immers verleend vanuit de BV’s. Dat de beheer- en beleidstaken van de stichting voor het functioneren van de BV’s onontbeerlijk zijn, maakt niet dat dit activiteiten zijn die primair en rechtstreeks zijn gericht op gezondheidszorg (en dus binnen de categorieën van artikel 5b Awr) vallen. De ANBI-status wordt dan ook per 1 mei 2017 ingetrokken, omdat de stichting na herstructurering niet zelf nog zorg verleent 

Primair en rechtstreeks? 

Naar onze mening wordt het begrip algemeen belang en de begrippen ‘primair en rechtstreeks’ te strikt uitgelegd. Het citaat uit de parlementaire geschiedenis (“instellingen die zich met de gezondheidszorg bezighouden en zorgtaken verrichten, zullen doorgaans kwalificeren”) biedt geen onderbouwing voor deze strikte uitleg. Integendeel: de bewoording biedt juist ruimte voor een bredere uitleg. In diezelfde parlementaire geschiedenis staat immers dat de omschrijvingen zeker niet volledig zijn. Het is merkwaardig dat díe overweging nu juist wordt genegeerd. De parlementaire geschiedenis gaf alleen maar voorbeelden van wat in de regel wél onder algemeen nut kon vallen, maar sloot andere activiteiten (bijvoorbeeld met het oog op gezondheidszorg of religie) niet uit. 

De stichting in onderhavige casus heeft onmiskenbaar (primair) als doel het bevorderen van gezondheidszorg en haar activiteiten zorgen ervoor dat dit doel (rechtstreeks) wordt bereikt. Dat de stichting niet de feitelijke zorgtaken verricht doet hier niet aan af. Het feit dat beheer- en beleidstaken onontbeerlijk zijn, onderstreept juist dat sprake is van rechtstreeks het algemeen nut dienen. Er is hier ook helemaal geen sprake van andere, niet algemeen nuttige belangen, althans dat valt niet uit de afspraak te herleiden. 

Het lijkt ons dus niet meer dan terecht dat de instelling in hoger beroep is gegaan. 

Restcategorie 

Indien de Belastingdienst hier gelijk zou krijgen, zou dit kunnen betekenen dat instellingen met activiteiten die niet strikt binnen de limitatieve opsomming, zoals neergelegd in de parlementaire geschiedenis, vallen, geen ANBI-status meer kunnen krijgen. Dat is zeer onterecht en inconsistent. De Rechtbank haalt immers zelf de zaak over het Katholiek Nieuwsblad aan, maar vergeet daarbij dat de feitelijke activiteiten van die stichting (uitgeverij-activiteiten) ook niet in de parlementaire geschiedenis stonden genoemd. 

Zou deze procedure vóór invoering van de Geefwet zijn gevoerd, dan had de stichting naar alle waarschijnlijk de ANBI-status behouden. Het algemeen nut was toen immers niet limitatief opgesomd. Daarnaast is het algemeen nut een flexibel begrip dat mettertijd kan wijzigen aan de hand van maatschappelijke ontwikkelingen. 

Deze casus bewijst nog maar weer eens dat een restcategorie “overige het algemeen nut beogende activiteiten” een welkome toevoeging zou zijn, zoals de NOB destijds al onderstreepte. In dat kader zou er eveneens meer duidelijkheid moeten komen over het gebruik van vennootschappen voor uitvoering van algemeen nuttige activiteiten (zoals impact investing dat momenteel een brede, warme, publieke maar ook politieke, aandacht geniet). Ook dat staat niet in de weg aan het primair en rechtstreeks beogen van het algemeen nut. In de praktijk worden er echter soms onjuiste argumenten gebruikt om dit tegen te gaan, zodat ANBI’s hier in fiscale problemen komen. 

Wij roepen de Staatssecretaris op hier snel duidelijkheid over te verschaffen, zodat de praktijk weer kan vertrouwen op de oorspronkelijke toezeggingen uit 2011. Dan worden echte ANBI’s ook niet meer geconfronteerd met oneigenlijke argumenten en kunnen zij zich blijven focussen op het dienen van het algemeen belang. 

Om het nieuwsbericht in PDF te downloaden klikt u hier.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met: