20/09/2022

Belastingpakket 2023: Gaat het nu echt veranderen?

Op Prinsjesdag 2022 presenteerde het kabinet Rutte-IV zijn eerste belastingpakket. Dat bestaat niet alleen uit budgettaire dekking voor een omvangrijk koopkrachtpakket. Achter de acute budgettaire maatregelen ziet men misschien contouren van een nieuwe verdeling van belastingheffing over arbeid en vermogen. HVK Stevens zet de belangrijkste maatregelen en verwachtingen voor u op een rij.  

Inkomstenbelasting

Box 1 – beperkte aanpassingen  

Box 1 behoudt haar tweeschijventarief: 36,93% over het belaste inkomen uit werk en woning tot en met €73.031 en 49,5% daarboven.

De zelfstandigenaftrek wordt met ingang van 2023 versneld afgebouwd en in verschillende stappen verlaagd van €6.310 in 2022 naar €900 in 2027. De verhoging van de zelfstandigenaftrek voor starters, de zogenoemde startersaftrek, blijft overigens ongewijzigd (€2.123).

De fiscale oudedagsreserve (“FOR”) wordt afgeschaft met als gevolg dat de FOR met ingang van 1 januari 2023 niet meer fiscaal gefacilieerd opgebouwd kan worden. Een reeds opgebouwde FOR kan nog wel op basis van de huidige regels worden afgewikkeld.

Tenslotte wordt de middelingsregeling voor sterk schommelende inkomsten in box 1 afgeschaft met ingang van 2023. De afschaffing zal inhouden dat de periode 2022 tot en met 2024 de laatste periode is waarover gemiddeld kan worden. Planning om nu nog de meeste gunstige jaren te middelen is dus raadzaam met het oog op de afschaffing van de regeling.

Box 2 – invoering tweeschijvenstelsel

Op dit moment kent box 2 één tarief voor dividenden uit en verkoopwinsten op een aanmerkelijk belang in een vennootschap:  26,9%. Het kabinet heeft een tweeschijventarief voorgesteld dat in werking moet treden per 1 januari 2024: 24,5% tot €67.000 aan belastbaar inkomen en 31% voor het bedrag daarboven. Hiermee worden directeuren-grootaandeelhouders (“DGA’s”) aangemoedigd om jaarlijks een dividend tot in ieder geval €67.000 uit te keren. Dat levert een fiscaal voordeel op van €4.355. In het geval van fiscaal partnerschap geldt dat inkomen uit aanmerkelijk belang een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel is dat aan beide partners kan worden toegerekend, waardoor in de praktijk het lage tarief van toepassing kan zijn op een inkomen uit aanmerkelijk belang tot €134.000. Het fiscaal voordeel verdubbelt dan naar €8.710. Let u echter op het feit dat belastbaar inkomen in box 2 gaat meetellen bij de vaststelling van twee heffingskortingen. Zie onder “inkomstenbelasting algemeen” hieronder. Bovendien telt het belastbaar inkomen in box 2 mee bij de vaststelling van bijvoorbeeld de kinderopvangtoeslag. Deze effecten beperken dus weer het fiscale voordeel van een dividend.

Er is op dit moment niets gezegd over compartimentering. De tariefsverhoging gaat daarom waarschijnlijk ook gelden voor op 1 januari 2024 bestaande winstreserves in de eigen vennootschap. In dat kader kan het vanuit een fiscaal perspectief interessant zijn om na te denken over het omzetten van winstreserves in nominaal aandelenkapitaal of agio.

Daarnaast zal het opstaptarief in de vennootschapsbelasting met ingang van 2023 verhoogd worden van 15% naar 19% en zal de eerste tariefschijf weer worden ingekort van €395.000 naar €200.000. Een maatregel die beoogt om de gecombineerde belastingheffing van de DGA (inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting) weer meer in lijn te krijgen met die van de ondernemer in box 1.

Wetsvoorstel Wet Excessief lenen bij eigen vennootschap

Geen onderdeel van het Belastingplan 2023 – maar zeker van fiscaal belang – is het wetsvoorstel ‘Wet excessief lenen bij eigen vennootschap’ dat op 13 september jl. in ongewijzigde vorm is aangenomen door de Tweede Kamer. Voorgestelde moties en amendementen, zoals een verlaging van de schuldendrempel en het honoreren van bestaande schulden, zijn alle verworpen.

Het wetsvoorstel beoogt te beperken dat DGA’s belastingvrij waarde kunnen onttrekken aan de eigen vennootschap, bijvoorbeeld voor het doen van (consumptieve) privé uitgaven of investeringen. Dit doel wordt bereikt door “bovenmatige” schulden bij de eigen vennootschap te belasten bij de aanmerkelijkbelanghouder in box 2 van de inkomstenbelasting. Een schuld wordt als bovenmatig aangemerkt indien en voor zover de toegerekende schulden van de aanmerkelijkbelanghouder (inclusief de met hem verbonden personen) aan de eigen vennootschap meer bedragen dan in beginsel €700.000. Financieringen die bij de eigen vennootschap zijn aangegaan voor de invoering van deze wet zijn niet vrijgesteld, kwalificerende eigenwoningschulden zijn echter wel uitgezonderd.

De wet treedt in werking op 1 januari 2023. Op 31 december van ieder jaar wordt de hoogte van de schulden aan de eigen vennootschap getoetst. Het is derhalve van belang om vóór 31 december 2022 de schuldpositie bij de eigen vennootschap in kaart te (laten) brengen en eventueel af te bouwen.

Box 3 – vastlegging rechtsherstel en overbruggingswetgeving

Op 24 december 2021 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de manier waarop sinds 2017 heffing van inkomstenbelasting in box 3 plaatsvindt, in strijd is met diverse bepalingen uit het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De betreffende arresten staan bekend als de Kerstarresten en hebben tot gevolg dat het box 3-stelsel niet langer houdbaar is en vervangen dient te worden. Voor de jaren 2017 tot en met 2022 betekent dit dat aan bepaalde belastingplichtigen rechtsherstel geboden wordt en vanaf 2023 zal overbruggingswetgeving gaan gelden tot het moment dat een stelsel met een belasting op basis van het werkelijk rendement kan worden ingevoerd. Naar verwachting is dit pas mogelijk vanaf 1 januari 2026.

Forfaitaire spaarvariant

Het tijdelijke box 3-stelsel is gebaseerd op de zogenoemde forfaitaire spaarvariant. In deze variant wordt het vermogen op basis van de werkelijke vermogensmix onderverdeeld in drie categorieën met bijbehorende, forfaitaire (positieve of negatieve) rendementen:

  • spaargeld (2021: 0,01%)
  • overige bezittingen (2021: 5,69%)
  • schulden (2021: 2,46%)

Het heffingvrij vermogen in box 3 wordt verhoogd naar €57.000 (2022: €50.650). Daarnaast stelt het kabinet voor om het tarief in box 3 jaarlijks met 1%-punt te verhogen van 31% tot 34% in 2025.

Compensatie niet-bezwaarmakers

Het kabinet heeft besloten niet tegemoet te komen aan belastingplichtigen die geen bezwaar hebben gemaakt tegen de heffing in box 3 voor de jaren 2017 tot en met 2020. Er is de keuze gemaakt om de niet-bezwaarmakers niet te compenseren. Onzeker is hoe dit in verhouding staat met de uitlating van de staatssecretaris van Financiën in een interview met de podcast ‘Betrouwbare Bronnen’, waarin hij het vermoeden wekt dat een spaarder, die geen bezwaar heeft gemaakt, alsnog compensatie kan krijgen via een verzoek om ambtshalve vermindering van zijn aanslagen inkomstenbelasting 2017 tot en met 2020.

Leegwaarderatio

De veronderstelde waarde in box 3 en in de schenk- en erfbelasting van woningen verhuurd onder huurbescherming, wordt op basis van de ontvangen jaarlijkse huur beperkt tot een bepaald percentage van de WOZ-waarde. Eerder bestond het voornemen deze zogenaamde ‘leegwaarderatio’ geheel af te schaffen. Het Ministerie van Financiën heeft op Prinsjesdag echter voorgesteld om de leegwaarderatio te behouden, maar wel de percentages te verhogen.

De voorgestelde actualisatie van de leegwaarderatio heeft tot gevolg dat bij een jaarlijkse huurprijs van méér dan 5% ten opzichte van de WOZ-waarde, het percentage van de leegwaarderatio wordt verhoogd naar 100% van de WOZ-waarde. Dit geldt eveneens indien sprake is van verhuur aan gelieerde partijen (zoals kinderen) en in het geval van tijdelijke huurcontracten. In deze situaties is de leegwaarderatio derhalve de facto afgeschaft. Daarnaast wordt de waarde van verhuurde woningen bij tijdelijke huurcontracten eveneens vastgesteld op de volledige WOZ-waarde.

Inkomstenbelasting algemeen

De algemene heffingskorting van op dit moment maximaal €2.888 wordt verder afgebouwd. Bij de maatregel gaat, naast het box 1-inkomen, nu ook het inkomen uit box 2 en 3 meetellen voor het uiteindelijke bedrag van de algemene heffingskorting. Hierdoor ontvangen mensen die voornamelijk inkomen hebben in box 2 of 3 een lagere korting op de te betalen belasting.

De inkomensafhankelijke combinatiekorting (“IACK”) van op dit moment maximaal €2.534 wordt per 1 januari 2025 afgeschaft. Ouders met kinderen geboren vóór 2025 kunnen nog wel aanspraak maken op de IACK. De inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK) is een heffingskorting die wordt toegekend aan alleenstaande ouders of minstverdienende partners die arbeid en zorg voor jonge kinderen combineren en voldoen aan de overige voorwaarden van de IACK.

Loonbelasting

DGA: de doelmatigheidsmarge gebruikelijk loon wordt geheel afgeschaft

Bij het vaststellen van het gebruikelijk loon van de DGA uit de eigen BV wordt aangesloten bij het loon uit de meest vergelijkbare reguliere dienstbetrekking. Daarbij kan in 2022 het loon van de DGA nog worden verminderd met 25%. Deze korting wordt de ‘doelmatigheidsmarge’ genoemd.

Op Prinsjesdag is aangekondigd dat deze doelmatigheidsmarge met ingang van 2023 geheel wordt afgeschaft. Voor zover het gebruikelijk loon is vastgesteld met inachtneming van deze doelmatigheidsmarge zal dit tot gevolg hebben dat gebruikelijk loon van de DGA naar boven moet worden bijgesteld. Het kabinet zal deze maatregel nog nader uitwerken en toelichten.

Innovatieve start-ups: vervallen versoepelde gebruikelijkloonregeling

De versoepeling van de gebruikelijkloonregeling voor innovatieve start-ups (gebruikelijk loon mag vastgesteld worden op het wettelijk minimumloon) vervalt per 1 januari 2023.

Verhoging onbelaste reiskostenvergoeding

Vanaf 2023 wordt de belastingvrije reiskostenvergoeding verhoogd van €0,19 naar €0,21 en per 1 januari 2024 naar €0,22. De onbelaste reiskostenvergoeding biedt de mogelijkheid voor werkgevers de reiskosten belastingvrij te vergoeden. Dit is geen verplichting. Overigens kan ook een hoger bedrag per kilometer vergoed worden. Dit hogere deel kan belast worden bij de werknemer of kan de werkgever aanwijzen als eindheffingsloon in de vrije ruimte.

Verruiming werkkostenregeling

Aangekondigd is dat de werkkostenregeling wordt verruimd. De vrije ruimte bedraagt per werkgever 1,7% van – kort gezegd – de fiscale loonsom van alle werknemers gezamenlijk, voor zover die loonsom niet hoger is dan €400.000 plus 1,18% van het restant van die loonsom. Omdat vergoedingen en verstrekkingen als gevolg van de inflatie zullen zijn toegenomen en de vrije ruimte niet altijd meer toereikend, is wil het Kabinet het midden- en kleinbedrijf tegemoetkomen. Voorgesteld wordt om de vrije ruimte over de eerste €400.000 van de fiscale loonsom te verhogen met 0,22%-punt naar 1,92%. Ook deze maatregel zal het kabinet nog nader uitwerken en toelichten.

Beperking 30%-regeling

De hoogte van het loon waarover inkomende expats de 30%-regeling mogen toepassen wordt vanaf 2024 gemaximeerd op de ‘Balkenende-norm’. Momenteel ligt deze grens op €216.000. Hiervan mag vanaf 2024 nog 30% onbelast worden vergoed (ofwel €64.800). Er komt een overgangsregeling van twee jaar voor ingekomen werknemers bij wie de 30%-regeling over het laatste loontijdvak van 2022 is toegepast. Voor deze werknemers geldt dat de aftopping van de 30%- regeling pas toepassing vindt vanaf 1 januari 2026.

Daarnaast wordt voorgesteld dat per kalenderjaar (in het eerste loontijdvak) een keuze dient te worden gemaakt voor het vergoeden van extraterritoriale kosten op declaratiebasis dan wel op basis van de 30%-regeling.

Wet aanpassing fiscale regeling aandelenoptierechten

Startups en scale-ups beschikken vaak niet over voldoende financiële middelen om hun personeel een concurrerend salaris aan te bieden. Om toch personeel aan te trekken en te behouden gebruiken zij veelal aandelenopties als beloningsinstrument. Het probleem hierbij is echter dat onder de huidige fiscale wetgeving in Nederland, aandelenopties in de belastingheffing worden betrokken wanneer de optie wordt uitgeoefend. Met andere woorden, wanneer de optierechten worden omgezet in aandelen. Op dat moment beschikken werknemers echter niet altijd over (voldoende) liquide middelen om de verschuldigde belasting te voldoen.

Om dit probleem op te lossen is voorgesteld om een wijziging in de fiscale regeling aan te brengen. De werknemer kan er hierdoor voor kiezen om voor de belastingheffing aan te sluiten bij het moment waarop het mogelijk is om de aandelen te vervreemden. De maatregel is bedoeld om het voor startups en scale-ups iets aantrekkelijker te maken om aandelenopties als beloningsinstrument in te zetten. Het wetsvoorstel is recent door de Tweede Kamer aangenomen en zal na behandeling in de Eerste kamer naar alle waarschijnlijkheid per 1 januari 2023 in werking treden.

De vraag is echter of de versoepeling ver genoeg gaat. Het zal immers niet altijd wenselijk, voordelig of praktisch mogelijk zijn om aandelen ook onmiddellijk te vervreemden zodra dat is toegestaan. Mogelijkheden bestaan om personeelsparticipaties zo vorm te geven dat een gedwongen aandelenverkoop om belasting te betalen niet noodzakelijk is en bovendien een gunstiger belastingtarief wordt bereikt.

Belastingheffing op vermogen

Brede aanpak constructies en negatief geëvalueerde fiscale regelingen

Het vorige kabinet heeft opdracht gegeven tot het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (“IBO”) naar vermogensverdeling. Begin juli is dit rapport gepubliceerd. In de op Prinsjesdag gepubliceerde kabinetsreactie op het IBO-rapport geeft het kabinet aan zich de komende jaren in te zetten om “opmerkelijke belastingconstructies” en “oneigenlijk gebruik van fiscale regelingen” aan te pakken.

Als eerste concrete stap wordt het plafond voor de periodieke giften aan ANBI’s van €250.000 genoemd. Zie verder in deze nieuwsbrief.

In het voorjaar van 2023 zal het kabinet haar intenties voor komend jaar concreet maken. Dat zal het kabinet doen door jaarlijks een set van “opmerkelijke belastingconstructies” te presenteren. Deze kabinetsreactie geeft aan dat ook het handelen ruim binnen de huidige wettelijke kaders en doel en strekking van de wet, in de toekomst toch als “opmerkelijke belastingconstructie” kan worden aangemerkt en fiscaal kan worden belemmerd. Wij houden deze ontwikkelingen uiteraard voor u in de gaten en nemen dit ook mee in onze advisering.

Bedrijfsopvolgingsregeling (“BOR”)

Al enkele jaren staan de fiscale bedrijfsopvolgingsfaciliteiten op de politieke agenda. Er is deze Prinsjesdag door het kabinet nog geen concrete wetswijziging voor de bedrijfsopvolgingsregeling (“BOR”) in de schenk- en erfbelasting en de doorschuifregeling van de aanmerkelijkbelangclaim in de inkomstenbelasting (“DSR”) voorgesteld.

Het kabinet geeft aan aankomende november een reactie te geven op het evaluatierapport van het CPB over de BOR dat afgelopen april is gepubliceerd. Hierbij zal het kabinet ingaan op wat nodig is om te voldoen aan de afspraken uit het coalitieakkoord, zijnde het ondersteunen van de continuïteit van de familiebedrijven door reële bedrijfsopvolging eenvoudiger en eerlijker te maken en oneigenlijk gebruik van de fiscale vrijstelling tegen te gaan. Er is momenteel dus nog onzekerheid over de vorm en omvang waarin de BOR blijft bestaan. Een versobering van de regeling ligt momenteel echter wel in de lijn der verwachting. Als u van plan bent (een deel van) uw onderneming in de toekomst over te dragen aan uw kinderen, dan is het raadzaam om alvast een voorlopige fiscale planning te maken.

Het kabinet geeft al één concrete versobering aan. Mogelijk volgend jaar zal het in ieder geval voorstellen om verhuurd vastgoed standaard als beleggingsvermogen aan te merken. Dit komt er kortgezegd op neer dat de overdracht van vastgoedondernemingen (met uitzondering van ontwikkelingsvastgoed) bij voorbaat niet kan kwalificeren voor de faciliteiten van de BOR en DSR.

Afschaffen jubelton

In 2022 kunt u voor het laatst volledig gebruik maken van de eenmalige hoge schenkingsvrijstelling eigen woning van €106.671, ook wel de ‘jubelton’ genoemd. Per 1 januari 2023 wordt deze schenkingsvrijstelling verlaagd naar €28.947, zijnde de omvang van de reguliere eenmalige verhoogde vrijstelling die geldt in de relatie ouders/kinderen (tussen de 18 en 40 jaar).

Hierbij moet worden opgemerkt dat ouders in 2023 worden verplicht te kiezen tussen de ‘ouder/kind-vrijstelling’ en de ‘schenkingsvrijstelling eigen woning’. De schenkingsvrijstelling eigenwoning komt geheel te vervallen per 1 januari 2024. De verhoogde ‘ouder/kind vrijstelling’ blijft ook na 1 januari 2024 in stand. Bij deze vrijstelling mag de ontvanger de schenking vrij besteden.

Kortgezegd geldt de schenkingsvrijstelling eigen woning van €106.671 voor de verwerving, verbetering of onderhoud van een eigen woning en aflossing van een eigenwoningschuld voor ontvangers van 18 tot 40 jaar oud. De huidige eigenwoningvrijstelling geldt niet alleen voor een schenking van ouders aan een kind, maar ook voor andere ontvangers zoals kleinkinderen, broers/zussen, neefjes/nichtjes en vrienden.

In 2022 kunt u nog maximaal gebruik maken van de schenkingsvrijstelling eigen woning van €106.671 aan uw kinderen of anderen. De ontvanger heeft dan in principe nog tot en met 31 december 2024 om de schenking voor de eigen woning te besteden.

Overdrachtsbelasting

Vanaf 2023 wordt het algemene tarief van de overdrachtsbelasting van 8% verhoogd naar 10,4%. Eerder waren reeds verhogingen van het tarief naar 9% en later naar 10,1% aangekondigd. Voor de verkrijging van een woning die als hoofdverblijf zal dienen, blijft het verlaagde tarief van 2% ongewijzigd gelden.

In de toelichting heeft het kabinet te kennen gegeven dat deze verhoging in samenhang dient te worden bezien met andere maatregelen die effect hebben op de woningmarkt, zoals maximering van huurstijgingen, het invoeren van huurprijsbescherming in het middenhuursegment, een bovengrens op de WOZ-waarde in het woningwaardesysteem en een verhoging van de leegwaarderatio’s. Al deze maatregelen moeten volgens het kabinet bijdragen aan een (verdere) verschuiving van het woningaanbod van het huur- naar het koopsegment.

Vastgoed uit het FBI-regime

Het Nederlandse regime voor fiscale beleggingsinstellingen (FBI’s) voorziet onder een aantal voorwaarden in een 0%-tarief voor de vennootschapsbelasting voor winsten van vennootschappen die kwalificeren als FBI. De FBI die belegt in vastgoed is zelf niet belast voor de vastgoedinkomsten. De gedachte is dat belasting wordt geheven bij haar participanten bij uitkeringen van winsten door de FBI. De FBI is verplicht om jaarlijks een deel van haar winsten uit te delen. Op deze uitkering dient dan in beginsel 15% dividendbelasting ingehouden te worden van de participanten. In de praktijk kan Nederland van veel buitenlandse participanten deze dividendbelasting niet effectueren, omdat zij tegen die heffing zijn beschermd door belastingverdragen. Het gevolg is dan dat inkomsten uit Nederlands vastgoed gehouden door FBI’s in het geheel niet aan Nederlandse belasting worden onderworpen.

Op 7 juli 2022 is een evaluatierapport van de regelingen voor de FBI en de vrijgestelde beleggingsinstelling (VBI) in de vennootschapsbelasting naar de Tweede Kamer verzonden waarin dit is opgemerkt. In reactie op dit rapport heeft het kabinet op Prinsjesdag aangegeven dat het regime omtrent FBI’s  met ingang van 2024 zal worden aangepast. De maatregel houdt in dat FBI’s per 1 januari 2024 niet meer direct mogen beleggen in vastgoed. Zij kunnen hun vastgoed wel onderbrengen in regulier belaste dochtervennootschappen. Pure vastgoed-FBI’s zullen dus regulier belast worden tegen de normale VPB-tarieven. Daarnaast wordt de zogenaamde financieringseis van FBI’s aangepast. De huidige eis dat de financiering van de FBI met vreemd vermogen niet hoger mag zijn dan 60% van de boekwaarde van het vastgoed zal komen te vervallen. Dit heeft tot gevolgd dat voor de resterende beleggingen van de FBI gaat gelden dat de financiering met vreemd vermogen wordt beperkt tot ten hoogste 20% van de boekwaarde van de beleggingen.

Bij het herstructureren van vastgoedbezit van FBI’s zal de overdrachtsbelasting van 10,4% een grote rol spelen. Het kabinet onderzoekt nog of maatregelen nodig zijn om te voorkomen dat de overdrachtsbelasting herstructureringen belemmert.

Aanpassingen giftenaftrek

Begrenzing van de periodieke giftenaftrek

In een recent gepubliceerd rapport wordt ingegaan op zeer hoge periodieke giften aan (zelf opgerichte) ANBI’s. Daaruit zou blijken dat de balans bij extreem hoge periodieke giften verstoord zou zijn. Het kabinet stelt daarom voor om voor periodieke giften een plafond in te voeren van €250.000 per huishouden.

Per huishouden kan dus maar maximaal €250.000 in aftrek worden gebracht. Niet vermeld wordt of die grens per jaar geldt. De exacte uitwerking van deze maatregel zal het kabinet nog nader uitwerken en toelichten.

Naar onze mening gaat deze maatregel erg ver en biedt de huidige wetgeving al voldoende maatregelen om te waarborgen dat giften (groot en klein) daadwerkelijk worden gedaan voor het goede doel. Dat het dan gaat om substantiële bedragen aan giftenaftrek, toont ons inziens alleen maar aan dat de regeling werkt. De gift is immers altijd veel groter dan het belastingvoordeel.

Aanpassen culturele multiplier voor fiscale partners

De wet kent een multiplier voor giften aan een culturele ANBI. In de huidige praktijk wordt ervan uitgegaan dat ingeval de belastingplichtige een fiscale partner heeft, het maximumbedrag van €1.250 voor hen samen geldt. Op basis van de huidige wettekst is echter geconcludeerd dat fiscale partners een verhoging van de culturele giften kunnen krijgen van maximaal €2.500.

Vanaf 2023 zal de wettekst worden aangepast zodanig dat deze aansluit bij de huidige praktijk. Dit betekent dat voor de belastingplichtige en zijn fiscale partner gezamenlijk de aftrek op ten hoogste €1.250 wordt gesteld.

Voor de kalenderjaren tot en met 2022 wordt alsnog een maximum van €2.500 voor fiscale partners toegestaan. De Tweede Kamer wordt op korte termijn geïnformeerd over de wijze waarop de Belastingdienst de multiplier voor de belastingjaren vanaf 2017 tot en met 2022 zal toepassen.

Indirecte belastingen

Btw-nultarief op de levering en installatie van zonnepanelen

Het is voorgesteld om per 1 januari 2023 het btw-tarief voor de levering en installatie van zonnepanelen op of in de onmiddellijke nabijheid van woningen te verlagen naar 0%. Dit betreft zowel de levering en installatie van geïntegreerde als niet-geïntegreerde zonnepanelen en de daarbij behorende leveringen en diensten die noodzakelijk zijn voor het aanbrengen en functioneren van de zonnepanelen, zoals omvormers, montagemateriaal etc. Andersoortige (combi)producten zoals zonneramen of zonwering met daarin zonnecellen verwerkt vallen niet onder het nultarief.

De levering en de installatie van zonnepanelen is op dit moment belast met 21% btw. Particuliere zonnepaneelhouders kunnen deze btw geheel of gedeeltelijk terugvragen door zich te registreren en aangifte te doen voor de btw. Echter in de praktijk levert dit voor zonnepaneelhouders en de Belastingdienst een aanzienlijke administratieve en uitvoeringslast op. Vandaar dat nu is voorgesteld het btw-tarief te verlagen naar 0%.

Let op dat de stroomleveringen aan het energiebedrijf nog wel steeds btw-belast zijn. Echter, hiervoor kan een particulier in de meeste gevallen gebruik maken van de kleineondernemersregeling (“KOR”) zodat er toch geen btw is verschuldigd en de aanschaf van zonnepanelen niet leidt tot btw-druk en/of btw-aangifte verplichtingen.

Als laatste is er nu nog niet voor gekozen om het btw-nultarief ook toe te passen voor zover zonnepanelen worden geleverd en geïnstalleerd op openbare en andere gebouwen die worden gebruikt voor activiteiten van algemeen belang. Mogelijk volgt dit na onderzoek later.

Auto

Vanaf 1 januari 2025 wordt de BPM-vrijstelling voor de bestelauto van een ondernemer afgeschaft. De grondslag voor de heffing zal tevens worden aangepast en, net als bij personenauto’s, gebaseerd worden op de CO2-uitstoot. Hierdoor zal de verschuldigde BPM bij bestelauto’s met een verbrandingsmotor stijgen, maar is de verschuldigde BPM bij emissievrije bestelauto’s nihil.

De motorrijtuigenbelasting (MRB) voor bestelauto’s voor ondernemers wordt in 2025 verhoogd met 15%, en in 2026 met nog eens 6,96%.

Vanaf 1 april 2022 zijn de accijnzen voor ongelode benzine, diesel en LPG verlaagd om de stijging van de energieprijzen te compenseren.  De periode van de verlaging wordt verlengd tot en met 30 juni 2023. In de tweede helft van 2023 gaat het tarief mogelijk weer omhoog.

Overig

Verhoging tabaksaccijns

Het kabinet wil de belasting (de zogenoemde accijns) op sigaretten, rooktabak (shag) en sigaren vanaf 1 april 2023 verhogen in 2 stappen. Nu kost een pakje sigaretten van 20 stuks gemiddeld € 8. Vanaf 1 april 2023 kost een pakje sigaretten gemiddeld € 9 en vanaf 1 april 2024 € 10.

Verhoging verbruiksbelasting frisdrank

Het kabinet wil vanaf 1 januari 2023 de belasting (de zogenoemde verbruiksbelasting) verhogen op alcoholvrije dranken waar suiker in zit, zoals frisdrank en alcoholvrij bier. Dranken met suikers worden dan duurder, zodat mensen eerder kiezen voor gezondere dranken, zoals water. Vanaf 1 januari 2024 wil het kabinet de verbruiksbelasting op mineraalwater afschaffen en de verbruiksbelasting op dranken met suikers verder verhogen.

Mijnbouwwet

Om de koopkrachtpakketten te financieren zal een beroep worden gedaan op gas- en oliewinningsbedrijven. De winningsbedrijven krijgen de mogelijkheid om vrijwillig een zogeheten solidariteitsbijdrage te doen. Indien deze vrijwillige bijdragen niet het begrote bedrag van €2 miljard opbrengen, zal het kabinet een tijdelijke tariefsverhoging binnen de mijnbouwwet invoeren. De uitkomst van deze fiscale maatregel is derhalve afhankelijk van de afspraken die, al dan niet, tussen de overheid en de winningsbedrijven worden gemaakt.

Wetsvoorstel kwalificatie (buitenlandse) rechtsvormen

In het wetsvoorstel worden aanpassingen voorgesteld voor het kwalificatiebeleid van (buitenlandse) rechtsvormen. Deze aanpassingen zijn er onder meer op gericht te voorkómen dat internationale kwalificatieverschillen ontstaan bij investerings- en beleggingsfondsen in de vorm van een commanditaire vennootschap (“CV”). Het wetsvoorstel zal echter ook een grote impact hebben op het gebruik van de zogenaamde ‘open-CV’ in familie- en anonimiseringsstructuren. Of die impact ook zal gelden voor fondsen voor gemene rekening is op dit moment nog niet duidelijk. Het kabinet heeft eerder al aangekondigd dat het definitieve wetsvoorstel wordt verwacht in het voorjaar van 2023. De beoogde inwerkingtreding van het wetsvoorstel is 1 januari 2024.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met:

HVK Stevens Logo

HVK Stevens is gespecialiseerd in het adviseren van ondernemers, corporates, private equity fondsen, families en familiebedrijven

HVK Stevens logo

Amsterdam

HVK Stevens
Prins Bernhardplein 200
1097 JB Amsterdam
+31 (0)20 76 30 900
info@hvkstevens.com
Routebeschrijving

Rotterdam

HVK Stevens Rotterdam
Weena 730A
3014 DA Rotterdam
+31 (0)10 32 25 200
info@hvkstevens.com
Routebeschrijving

Luxemburg

HVK Stevens
4, Avenue Jean-Pierre Pescatore,
L-2324 Luxemburg,
Grand Duchy of Luxembourg
info@hvkstevens.com
Routebeschrijving

Curacao

HVK Stevens
Landhuis Joonchi Kaya Richard
3014 Beaujon Willemstad,
Curacao
info@lagunfs.com
Routebeschrijving