Private Wealth
07/10/2021 HVK Stevens

Fiscale tussenstand vergaderingen Tweede Kamer

Naar aanleiding van het op Prinsjesdag gepresenteerde Belastingplan 2022 heeft de Tweede Kamer verschillende onderwerpen tegen het licht gehouden. Updates inzake het Wetsvoorstel excessief lenen bij eigen vennootschap en het tarief vennootschapsbelasting kwamen ter sprake.

Wet excessief lenen bij eigen vennootschap: uitgesteld of aangepast?

Op vrijdag 1 oktober 2021 heeft de staatssecretaris van Financiën
– Fiscaliteit en Belastingdienst (“de Staatssecretaris“) – de Tweede Kamer een brief gestuurd waarin hij verzoekt om de behandeling van het Wetsvoorstel excessief lenen bij eigen vennootschap (“Wetsvoorstel“) uit te stellen.

Door het Wetsvoorstel worden schulden van aanmerkelijkbelang-houders (“AB-houder“) aan de eigen vennootschap, voor zover excessief, belast in box 2 van de inkomstenbelasting. Het Wetsvoorstel beoogt te beperken dat AB-houders én de met hen verbonden personen ((klein)kinderen, opa’s & oma’s) lenen van de eigen vennootschap om op die manier belastingvrij privé gelden van de vennootschap aan te kunnen wenden, bijvoorbeeld voor het doen van (consumptieve) privé uitgaven of investeringen. Het Wetsvoorstel tracht dit doel te bereiken door het belasten van “bovenmatige” (excessieve) schulden in box 2 tegen een tarief van 26,9% (tarief 2021). Een schuld wordt als bovenmatig aangemerkt indien en voor zover de toegerekende schulden van de AB-houder aan de eigen vennootschap meer bedragen dan (in beginsel) € 500.000. Voor een uitgebreid verslag over het Wetsvoorstel zie onze nieuwsbrief van 19 juni 2020.

De Staatssecretaris lichtte in genoemde brief van 1 oktober toe dat het Wetsvoorstel binnen de context van een bredere discussie over de fiscale behandeling van vermogen moet worden gezien. “Het vermogen in box 2 moet in onderlinge samenhang worden bekeken met het vermogen dat in box 1 of box 3 wordt belast” aldus de Staatssecretaris. Dit kan als een subtiele hint geïnterpreteerd worden om het Wetsvoorstel opnieuw tegen het licht te houden in het kader van deze bredere discussie. De huidige heffing in box 3 is al langer onderwerp van discussie in de politiek. Dat speelde echter ook al bij de indiening van het Wetsvoorstel. Wellicht is de aanleiding te vinden in de ‘zomermoties’, waarin (nogmaals) gevraagd wordt om het vermogen te belasten naar een werkelijk rendement. In zijn brief van 1 oktober staan echter geen zichtbare beleidswijzigingen betreffende het Wetsvoorstel.

Ingevolge de tekst van het Wetsvoorstel, zoals dat aanhangig is bij de Tweede Kamer, is het plan (nog steeds) om de wet in te laten gaan per 1 januari 2023, met 31 december 2023 als eerste toetsmoment voor de hoogte van de schulden aan de eigen vennootschap. De praktische vraag naar aanleiding van de brief van de Staatssecretaris is of deze datum gehaald gaat worden. Er wordt nog geen zekerheid geboden met de brief van de Staatssecretaris. Wij volgen de verdere voortgang op de voet en informeren u over eventuele ontwikkelingen.

Tarief vennootschapsbelasting

Naast het Wetsvoorstel kwam ook het tarief van de vennootschapsbelasting ter sprake in de Tweede Kamer. Demissionair premier Mark Rutte zei daarover:

“Ten aanzien van de stijging van de zorgsalarissen kan ik melden dat wij het niet-premiedeel inderdaad dekken uit het hoge Vpb-tarief. (…) Het hoge Vpb-tarief komt daarmee op 25,8%.”

Dit tarief heeft betrekking op de tweede schijf, dat wil zeggen de winsten boven € 395.000. Klaarblijkelijk dienen verschillende gaten in de begroting gedicht te worden. Het vennootschapsbelastingtarief lijkt als instrument gebruikt te worden om één van deze gaten te dichten.

Indien het toptarief in de vennootschapsbelasting wordt verhoogd tot de vermelde 25,80%, gaat de cumulatieve (vennootschaps- en inkomsten)belastingdruk over de winst van een vennootschap, waarin een AB wordt gehouden, 37,87% tot 45,76% bedragen. Over de eerste € 395.000 is 37,87% verschuldigd, over het meerdere 45,76%. Gezien de verlenging van de eerste tariefschijf tot € 395.000, de (waarschijnlijke) verhoging van het hoge vennootschapsbelastingtarief en het verschil in cumulatieve belastingdruk van dan bijna 8% is het onzes inziens de moeite waard om te beoordelen of en zo ja welke mogelijkheden er zijn om belastbare winsten over meerdere zelfstandig belastingplichtige vennootschappen te spreiden.

Tot slot

Ondanks het feit dat voornoemde wijzigingen niet zeker zijn, is het toch belangrijk om rekening mee te houden. Zodra er relevante ontwikkelingen betreffende bovenstaande onderwerpen boven komen drijven, informeren wij u uiteraard.

Om deze nieuwsbrief in PDF te downloaden, klikt u hier.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met: