18/09/2018

Prinsjesdag 2018 – Belastingplan 2019

Belastingplan 2019

Inkomstenbelasting

Box 1
De belangrijkste maatregel is het invoeren van een tweeschijvenstelsel. Hierdoor zal vanaf 2021 de inkomstenbelasting in Box 1 effectief nog slechts twee schijven kennen. Een eerste schijf met een tarief van 37,05% en vanaf € 68.507 een tweede schijf met een tarief van 49,5%. Dit zorgt voor een 4% lager tarief in de eerste schijf in vergelijking met de huidige derde schijf en een 2,5% lager toptarief. Om dit mede mogelijk te maken is een bijkomend voorstel om het beginpunt van het toptarief tot en met 2024 niet meer te indexeren en te bevriezen op € 68.507. Een nadere maatregel is de verhoging van de maximum algemene heffingskorting en arbeidskorting gepaard met een versneld afbouwtraject van deze kortingen.

Inzake de aftrekbare kosten met betrekking tot de eigen woning wordt de afbouw van het tarief waartegen deze kosten kunnen worden afgetrokken versneld. Met ingang van 1 januari 2020 zal de afbouw 3% per jaar zijn (voorheen 0,5%). Hierdoor wordt de beperking van de aftrek tot maximaal de eerste schijf (37,05%) al in 2023 bereikt. Deze versnelde afbouw van het tarief waartegen aftrekbare kosten kunnen worden afgetrokken gaat tevens gelden voor een aantal andere posten: de ondernemersaftrek, de MKB-winstvrijstelling, de terbeschikkingstellingsvrijstelling en de persoonsgebonden aftrek. Het kabinet is nog steeds voornemens om de aftrek af te schaffen voor de uitgaven aan monumentenpanden (per 1 januari 2019) en voor scholingsuitgaven (per 1 januari 2020) en deze aftrekmogelijkheden te vervangen voor subsidies.

Box 2
Vanwege de wijziging in de tarieven van de vennootschapsbelasting wordt voorgesteld om ook het tarief in box 2 te corrigeren. Hierdoor zal het tarief in box 2 van 25% naar 26,9% gaan in 2021 (in plaats van de eerder voorgestelde 28%). De verhoging vindt plaats in twee stappen: per 2020 wordt het tarief 26,25% en per 2021 26,9%.

Tevens overeenkomstig met de aanpassing in de vennootschapsbelasting is voorgesteld om de voorwaartse verliesverrekening in box 2 te verkorten van negen naar zes jaar.

Rekeningen-courant

Met betrekking tot rekeningcourantschulden van directeuren-grootaandeelhouders (DGA’s) bij hun BV’s stelt het kabinet een beperking voor, een zogenoemde rekening-courantmaatregel.
De rekeningcourantpositie van de DGA bij zijn eigen BV was al jaren een speerpunt van de Belastingdienst waarbij de Belastingdienst bij (naar hun mening) te hoog opgelopen rekeningcourantschulden probeerde te stellen dat de er sprake was van een uitkering vanuit de BV. Dit leidde tot veel discussies met de Belastingdienst.

In de Miljoenennota en de aanbiedingsbrief bij het Belastingplan 2019 wordt een beperking voorgesteld van de lening die een aanmerkelijkbelanghouder mag hebben bij de eigen vennootschap. Hiermee wordt het lenen van een bedrag boven de € 500.000 ontmoedigd.

Er worden enkele specifieke contouren gesteld voor deze maatregel:

  • Het voornemen bestaat om de maatregel in werking te laten treden op 1 januari 2022.
  • Indien de som van de totale schulden van de aanmerkelijkbelanghouder aan zijn vennootschap meer bedraagt dan € 500.000, dan zal het meerdere in aanmerking genomen worden als inkomen uit aanmerkelijk belang. Dit houdt in dat het meerdere boven de € 500.000 zal worden belast in box 2 (26,9% in 2021).
  • Er komt een overgangsregeling voor bestaande eigenwoningschulden bij de eigen vennootschap.

De rekening-courantmaatregel is nog niet opgenomen in het Belastingplan 2019, maar is slechts aangekondigd in de aanbiedingsbrief bij het Belastingplan 2019. Het kabinet geeft aan voornemens te zijn het wetsvoorstel voor deze maatregel in het voorjaar van 2019 aan de Tweede Kamer aan te bieden.

De aanmerkelijkbelanghouder krijgt onder het huidige voorstel 3 jaar de tijd om zijn schuld aan de eigen vennootschap terug te brengen tot € 500.000. In deze jaren kan de aanmerkelijkbelanghouder zijn rekeningcourantschuld terugbrengen of ervoor kiezen om een dividenduitkering te doen om hiermee de schuld af te lossen. Dit kan in 2019 nog tegen het tarief van 25% in box 2.

Een groot aandachtspunt van deze voorgestelde maatregel is dat ook (hypothecaire)schulden lijken te worden getroffen die de ab-houder bij zijn eigen vennootschap is aangegaan voor de financiering van zijn (eigen)woning.

Loonbelasting

Verkorting looptijd 30%-regeling
Zoals eerder aangekondigd wordt de looptijd van de 30%-regeling voor inkomende werknemers per 1 januari 2019 verkort van 8 naar 5 jaar. De maximale periode van vijf jaar zal ook gaan gelden voor de keuzeregeling voor partiële buitenlandse belastingplicht en voor de mogelijkheid om de werkelijke extraterritoriale kosten belastingvrij te vergoeden. Er komt geen overgangsrecht waardoor voor alle bestaande gevallen de looptijd van de 30%-regeling wordt verkort.

De verkorting van de looptijd van de 30%-regeling betekent ook een verkorting van de periode waarin de schoolgelden voor internationale scholen onbelast kunnen worden vergoed of verstrekt. Voor werknemers waarvoor door de verkorting van de looptijd van de 30%-regeling de schoolgelden voor het schooljaar 2018/2019 niet meer onbelast kunnen worden vergoed of verstrekt, is overgangsrecht voorgesteld. Dit overgangsrecht leidt ertoe dat ook na de verkorte looptijd de schoolgelden voor het schooljaar 2018/2019 nog onbelast kunnen worden vergoed of verstrekt, mits de oorspronkelijke looptijd van 8 jaar nog niet is afgelopen.

Vrijwilligersvergoeding
Zoals in de kabinetsplannen al is aangekondigd wordt het maximale bedrag dat zonder loonheffingen aan vrijwilligers vergoed en verstrekt kan worden per 1 januari 2019 verhoogd naar € 170 per maand en € 1.700 per jaar (voorheen € 150 per maand en € 1.500 per jaar).

Fiets van de zaak
Er komt vanaf 1 januari 2020 een fiscale bijtelling voor het privé gebruik van de (ter beschikking gestelde) fiets. De bijtelling bedraagt 7% van de consumentenadviesprijs (de oorspronkelijke nieuwwaarde) van de fiets inclusief meegekochte accessoires. Met het oog op de eenvoud is voorgesteld dat de “fiets van de zaak” in ieder geval wordt geacht ook voor privédoeleinden ter beschikking te staan indien de fiets ook voor woon-werkverkeer ter beschikking staat. Voor de fiets van de zaak met een consumentenadviesprijs tot € 749 kan de btw volledig in aftrek worden gebracht (mits de ondernemer volledig aftrekgerechtigd is).

Werkkostenregeling
Anders dan bij de evaluatie van de werkkostenregeling is aangekondigd, blijft de aanwijzing voor vergoeding en verstrekking waarop de gerichte vrijstelling kan worden toegepast nog steeds noodzakelijk.

 

Vennootschapsbelasting

Verlaging tarieven vennootschapsbelasting
De tarieven voor de vennootschapsbelasting worden verlaagd. Bedrijven betalen nu 25% vennootschapsbelasting boven een winst van € 200.000 en 20% over een winst tot € 200.000. Het tarief voor winsten tot € 200.000 gaat in drie jaar tijd stapsgewijs omlaag naar 19% in 2019, 17,5% in 2020 en 16% in 2021. De vennootschapsbelasting voor winsten boven de € 200.000 gaat minder hard omlaag. Het tarief daalt over drie jaar tijd stapsgewijs naar 24,3% in 2019, 23,9% in 2020 en 22,25% in 2021.

Verliesverrekening
Momenteel is een verlies in de vennootschapsbelasting verrekenbaar met de winst van het voorafgaande boekjaar (carry-back) of de negen boekjaren daarna (carry-forward). De carry-forward wordt beperkt tot zes boekjaren. Dit zal voor het eerst gelden voor verliezen geleden in boekjaren die aanvangen in het kalenderjaar 2019 (boekjaar 2019). Dit betekent dat verliezen eerder zullen gaan verdampen. Er is voorzien in een overgangsmaateregel waaronder verliezen geleden in de boekjaren 2019 en 2020 met voorrang worden verrekend boven verliezen geleden in de boekjaren 2017 en 2018).

Beperken afschrijving gebouwen in eigen gebruik in de vennootschapsbelasting
Momenteel mogen gebouwen in eigen gebruik zowel in de inkomstenbelasting als in de vennootschapsbelasting worden afgeschreven tot maximaal 50% van de WOZ-waarde. Voor overige gebouwen geldt een afschrijvingsgrens van 100% van de WOZ-waarde. Met ingang van 1 januari 2019 wordt de beperking in afschrijving voor alle gebouwen voor de vennootschapsbelasting gelijk getrokken. Gebouwen in eigen gebruik mogen vanaf die datum voor de vennootschapsbelasting tot slechts 100% van de WOZ-waarde worden afgeschreven. Deze maatregel geldt niet voor ondernemers in de inkomstenbelasting.

Naar verwachting wordt een kritische beoordeling van de WOZ-waarden voor vastgoed in eigen gebruik derhalve van groter belang.

Earningsstrippingmaatregel
Met ingang van 1 januari 2019 wordt, als uitvloeisel van de Europese Richtlijn ATAD 1, een generieke renteaftrekbeperking ingevoerd in de vennootschapsbelasting. Op grond van deze bepaling komt de per saldo verschuldigde rente (zowel intercompany- als externe rente) niet in aftrek voor zover deze méér bedraagt dan het hoogste van de volgende bedragen (i.e. de renteaftrekcapaciteit):

1. 30% van de fiscale EBITDA;
2. € 1 miljoen (de drempel).

Onder “fiscale EBITDA” wordt verstaan fiscale winst vóór onder meer aftrekbare rente, vennootschapsbelasting, afschrijvingen op en afwaarderingen van bedrijfsmiddelen.

Rente die uitkomt boven de renteaftrekcapaciteit en daardoor niet aftrekbaar is, wordt in de tijd onbeperkt voortgewenteld naar volgende boekjaren. In een volgende boekjaar is die voortgewentelde rente aftrekbaar mits zij samen met de per saldo in dat volgende boekjaar verschuldigde rente blijft binnen de renteaftrekcapaciteit zoals die voor dat volgende boekjaar geldt. Er wordt geen terugwenteling van niet-aftrekbare rente voorgesteld en evenmin een voortwenteling van onbenutte renteaftrekcapaciteit.

Deze regeling wordt toegepast per zelfstandig belastingplichtige vennootschap dan wel, indien sprake is van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting, per fiscale eenheid. Dat betekent dat het kabinet er niet voor kiest om in het fiscale-eenheidsregime een nieuwe uitzondering op te nemen voor de earningsstrippingsmaatregel, zoals het kabinet recent heeft gedaan voor een aantal individuele regelingen binnen de vennootschapsbelasting. Dit betekent goed nieuws voor fiscale eenheden met één of meer maatschappijen met rentelasten en onvoldoende renteaftrekcapaciteit, zoals overnameholdings.

Toepassing van de regeling per zelfstandig belastingplichtige vennootschap en per fiscale eenheid kan in voorkomende gevallen aanleiding geven om de belastingplichtige op te splitsen respectievelijk die fiscale eenheid te verbreken ten einde meerdere malen gebruik te maken van de drempel van € 1 miljoen bij het bepalen van de renteaftrekcapaciteit. Andersom kan in voorkomend gevallen juist aanleiding bestaan om zelfstandig belastingplichtige vennootschappen samen te voegen, bijvoorbeeld door fusie of door het aangaan van een fiscale eenheid, ten einde de renteaftrekcapaciteit van die vennootschappen te “poolen”.

Het kabinet kiest er als verwacht voor geen groepsuitzondering op te nemen op grond waarvan de renteaftrekcapaciteit wordt bepaald door de geconsolideerde groep waartoe de belastingplichtige behoort. Tevens is als verwacht geen eerbiedigende werking voorgesteld voor bestaande leningen. Wel zal separaat nog een uitzondering worden gedefinieerd voor bestaande Publiek-Private Samenwerkingsprojecten die verband houden met openbare infrastructuurprojecten.

De earningsstrippingsmaatregel gaat ten slotte gelden voor elke vennootschapsbelastingplichtige, óók belastingplichtigen die niet met andere entiteiten deel uitmaken van een commercieel geconsolideerde groep en ook belastingplichtigen die slechts aandeelhouders-natuurlijk personen kennen.

Overige maatregelen renteaftrek
De invoering van deze generieke renteaftrekbeperking gaat als verwacht gepaard met het schrappen van een aantal specifieke renteaftrekbeperkingen in de vennootschapsbelasting. De volgende renteaftrekbeperkingen komen met ingang van 1 januari 2019 te vervallen:

  • artikel 13l (aftrekbeperking bovenmatige deelnemingsrente);
  • artikel 15ad (aftrekbeperking rente op overnamefinancieringen).

Rente die in het verleden niet in aftrek kwam door toepassing van artikel 15ad zal ook na 31 december 2018 kunnen worden voortgewenteld, maar dan onder de noemer en voorwaarden voor niet-aftrekbare rente onder de earningsstrippingsmaatregel.

Daarnaast komt ook de zogenoemde houdsterverliesregeling te vervallen met ingang van 1 januari 2019. Deze bepaling is strikt genomen geen renteaftrekbeperking, maar in de praktijk gaat het veelal om verliezen ontstaan door rentelasten. Verliezen geleden vóór 1 januari 2019 blijven echter wel voorwaarts verrekenbaar onder de voorwaarden van de huidige houdsterverliesregeling.

Invoering van de earningsstrippingmaatregel gaat ten slotte met ingang van 1 januari 2020 gepaard met een anti-misbruikbepaling die handel in zogenaamde “rentelichamen” moet voorkomen. Dit zijn lichamen die beschikken over doorgeschoven rente op basis van de earningsstrippingmaatregel. Tevens worden regelingen geïntroduceerd die bepalen hoe om te gaan met rentelichamen die worden gevoegd in of ontvoegd uit een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. Deze bepalingen zijn sterk gebaseerd op de reeds bestaande vergelijkbare bepalingen in de sfeer van de verrekening van verliezen na voeging in en ontvoeging uit de fiscale eenheid.

Controlled foreign companies (CFC’s)
De Europese Richtlijn ATAD 1 legt EU Lidstaten de verplichting op om belasting te heffen op winsten van laagbelaste (in)directe deelnemingen (controlled foreign companies) van in Nederland gevestigde vennootschappen. De gedachte is dat bepaalde inkomsten van CFC’s reeds in Nederland worden belast in het jaar waarin die inkomsten gegenereerd worden. De maatregel dient om te voorkomen dat belastbare winsten op kunstmatige wijze worden verplaatst naar laagbelastende landen.

In zijn algemeenheid is sprake van een CFC indien:

(i) een Nederlandse aandeelhouder een (in)direct belang van 50% of meer heeft in een lichaam of een vaste inrichting heeft en
(ii) dat lichaam of die vaste inrichting is gevestigd in
– een staat dat de winst van dat lichaam niet belast of naar een tarief van minder dan 7% dan wel
– een door de EU aangewezen non-coöperatief rechtsgebied.

Op grond van de CFC-maatregel dienen bepaalde, besmette voordelen van een CFC, zoals dividenden, rente en royalty’s, bij de belastbare winst van de Nederlandse aandeelhouder te worden opgeteld voor zover die voordelen niet (tijdig) door de CFC zijn uitgekeerd.

Bijtelling van besmette voordelen is daarentegen uitgesloten indien de CFC voor meer dan 70% andere dan besmette voordelen geniet of indien de CFC een wezenlijke economische activiteit uitoefent. Zo sprake is van wezenlijke economische activiteiten, zal de Nederlandse aandeelhouder van de CFC slechts verplicht zijn inkomen van de CFC bij haar belaste winst op te tellen indien en voor zover dat inkomen toerekenbaar is aan functies van de Nederlandse aandeelhouder. Deze verplichting geldt echter onder huidige transfer pricing regels ook al voor Nederlandse vennootschapsbelastingplichtigen en brengt daarom niets nieuws.

Er is sprake van een wezenlijke economische activiteit indien wordt voldaan aan de substance-vereisten, zoals die ook gelden in de dividendbelasting voor de beoordeling of er sprake is van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen. Zo moet de CFC in haar staat van vestiging onder meer beschikken over gekwalificeerd personeel met een totale loonsom van, vertaald naar Nederlandse maatstaven, ten minste € 100.000 per jaar en gedurende over een periode van minimaal 24 maanden beschikken over een eigen kantoorruimte.

Door bijtelling van de besmette voordelen van CFC’s bij de winst van de Nederlandse aandeelhouder kan dubbele heffing ontstaan. Hoewel de Nederlandse aandeelhouder buitenlandse belasting van de CFC zal kunnen verrekenen, wordt dubbele heffing niet in alle situaties voorkomen. Het kan in gevallen voordelig zijn om het aantal lagen vennootschappen onder Nederland te beperken.

Dividendbelasting en bronbelasting 2020
In het pakket ‘Wet bronbelasting 2020’ presenteert het kabinet maatregelen die gericht zijn op het tegengaan van grondslagverschuiving van of via Nederland naar laagbelastende landen. Het kabinet stelt voor de dividendbelasting per 1 januari 2020 af te schaffen en daarvoor in de plaats met ingang van diezelfde datum een bronbelasting in te voeren op dividenden die door in Nederland gevestigde lichamen worden betaald aan gelieerde lichamen in laagbelastend landen.  Een laagbelastend land is een staat

  • die minder dan 7% (of geen) vennootschapsbelasting heft dan wel
  • is opgenomen op de EU-lijst voor niet-coöperatieve rechtsgebieden.

De bronbelasting op dividenden geldt ook in misbruiksituaties (het tussenvoegen van een vennootschap in een derde land tussen Nederland en het laagbelastende land).

Om constructies gericht op het ontgaan van de heffing van de bronbelasting tegen te gaan, zal eveneens bronbelasting verschuldigd zijn over het bedrag dat wordt genoten bij vervreemding van aandelen in een Nederlandse vennootschap indien

1. de vervreemder voorafgaand aan de vervreemding een ‘kwalificerend belang’ houdt (bijv. meer dan 50% van de stemrechten in de BV) en
2. voor zover het vervreemdingsvoordeel verband houdt met de zuivere winst van de Nederlandse vennootschap (gerealiseerde reserves en stille reserves).

Dit geldt eveneens indien het belang in de Nederlandse vennootschap niet direct, maar indirect wordt gehouden. Verder wordt het voorgestelde tarief voor de bronbelasting op dividenden gesteld op 23,9% (tarief 2020).

Tenslotte zal per 2021 de conditionele bronbelasting op interest en royalty’s van kracht worden tegen een tarief van 22,25% (dit tarief zal dan ook gaan gelden voor dividenden).

Verbod op investeren in vastgoed door fiscale beleggingsinstellingen
In navolging van het regeerakkoord en de afschaffing van de dividendbelasting stelt het kabinet in het belastingplan voor dat fiscale beleggingsinstellingen (FBI’s) niet meer direct in Nederlands vastgoed mogen beleggen. Het blijft voor een FBI wel mogelijk om direct te beleggen in buitenlands vastgoed of indirect (via een belaste dochtervennootschap) te beleggen in Nederlands vastgoed.

 

BTW

Verhoging van het verlaagde btw-tarief
In het op 10 oktober 2017 gesloten regeerakkoord is bekend geworden dat per 1 januari 2019 het verlaagde btw-tarief van thans 6% wordt verhoogd tot 9%. Dit wordt nu formeel voorgesteld in het Belastingplan 2019. Verder is er geen aanvullende wetgeving opgenomen voor de overgangssituaties rondom de tariefswijziging waardoor ondernemers voor het vaststellen van welk btw-tarief van toepassing is, kunnen aansluiten bij het reguliere moment van verschuldigdheid.

Aanpassing (verruiming) van de kleineondernemersregeling
Via de huidige kleineondernemersregeling (KOR) kunnen ondernemers een extra teruggaaf van btw krijgen als zij per saldo hooguit € 1.883 btw hoeven af te dragen. Middels de Wet modernisering KOR wordt de huidige KOR gemoderniseerd. De huidige KOR wordt hiermee vervangen door een facultatieve omzetgerelateerde vrijstelling van omzetbelasting met een omzetgrens van € 20.000. De kern van de nieuwe KOR is dat een ondernemer, die onder de omzetgrens blijft en ervoor kiest om de nieuwe KOR toe te passen, geen btw in rekening brengt aan zijn afnemers. Daar staat tegenover dat hij de btw die andere ondernemers aan hem in rekening brengen niet in aftrek kan brengen. De nieuwe KOR treedt in werking met ingang van 1 januari 2020

Uitbreiding van de btw-sportvrijstelling
In de huidige wetgeving zijn diensten verricht door sportorganisaties, die geen winst beogen, aan hun leden in principe vrijgesteld van btw. Deze vrijstelling wordt nu per 1 januari 2019 verruimd, zodat de vrijstelling ook geldt voor dezelfde diensten die de sportorganisaties verrichten aan niet-leden. Dit kan nadelig zijn voor hun aftrekrecht.

Implementatie van de E-commerce Richtlijn
Nederland moet nog diverse onderdelen van de wijzigingen in de E-commerce Richtlijn doorvoeren. Met ingang van 1 januari 2019 geeft Nederland een tegemoetkoming, via de Wet implementatie artikel 1 richtlijn elektronisch handel, aan kleinere ondernemers die via het internet in beperkte mate digitale diensten leveren aan particulieren in andere lidstaten. Desalniettemin zal het grootste deel van de richtlijn pas hoeven te worden geïmplementeerd per 1 januari 2021. Daarbij valt te denken een uitbreiding van het toepassingsgebied van het éénloketsysteem (Mini One Stop Shop) voor digitale diensten die ondernemers verrichten voor particulieren in andere lidstaten. Deze ziet op andere diensten dan digitale diensten en op de via internet verkochte goederen aan particulieren in andere lidstaten.

 

Verhaalsmogelijkheden

In de praktijk wordt de Belastingdienst geconfronteerd met belastingschuldigen die zich ontdoen van hun vermogen vlak voordat de Belastingdienst verhaalsmogelijkheden voor de inning van de belastingschuld veilig heeft kunnen stellen. Daarbij kan gedacht worden aan schenkingen aan familieleden of andere derden en liquidatie uitkeringen door rechtspersonen aan aandeelhouders. Met een aantal invorderingsmaatregelen wordt de aansprakelijkheid van begunstigden en verhaalsmogelijkheden op erfgenamen verruimd.

Zo worden de verhaalsmogelijkheden van de Belastingdienst (voor inkomstenbelasting) uitgebreid met het bedrag van schenkingen die de erfgenaam van de erflater heeft ontvangen, 180 dagen voor diens overlijden (voor zover de schenkingen niet zijn vrijgesteld of kwijtgescholden).

Ten behoeve van de aansprakelijkheidstelling voorziet het wetsvoorstel in een alternatieve wijze van bekendmaken van belastingaanslagen aan (vermoedelijk) niet meer bestaande rechtspersonen. Tevens kunnen begunstigden aansprakelijk worden gesteld voor de belastingschuld. Potentieel aansprakelijken kunnen verplicht worden gesteld om vragen van de inspecteur te beantwoorden op last van strafrechtelijke sancties.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met:

HVK Stevens Logo

HVK Stevens is gespecialiseerd in het adviseren van ondernemers, corporates, private equity fondsen, families en familiebedrijven

HVK Stevens logo

Amsterdam

HVK Stevens
Prins Bernhardplein 200
1097 JB Amsterdam
+31 (0)20 76 30 900
info@hvkstevens.com
Routebeschrijving

Rotterdam

HVK Stevens Rotterdam
Weena 730A
3014 DA Rotterdam
+31 (0)10 32 25 200
info@hvkstevens.com
Routebeschrijving

Luxemburg

HVK Stevens
4, Avenue Jean-Pierre Pescatore,
L-2324 Luxemburg,
Grand Duchy of Luxembourg
info@hvkstevens.com
Routebeschrijving

Curacao

HVK Stevens
Landhuis Joonchi Kaya Richard
3014 Beaujon Willemstad,
Curacao
info@lagunfs.com
Routebeschrijving