HVK Stevens
09/04/2019 HVK Stevens

BTW-besluit bijzonder overheidstoezicht bij beleggingsfondsen

De Staatssecretaris van Financiën heeft op 1 april 2019 een toelichting gegeven op het begrip bijzonder overheidstoezicht in het kader van het toepassen van de vrijstelling in de omzetbelasting voor het beheer van door beleggingsfondsen en beleggingsmaatschappijen ter collectieve belegging bijeengebrachte vermogens.

Inleiding

Deze toelichting is vastgelegd in een besluit welke in werking is getreden per 2 april 2019. In het besluit geeft de staatssecretaris invulling aan de kwalificatie ‘bijzonder overheidstoezicht’. Dit is van belang omdat het Europese Hof van Justitie (hierna: HvJ) heeft geoordeeld dat voor de toepassing van de btw-vrijstelling voor het beheer van gemeenschappelijke beleggingsinstellingen een van de voorwaarde is dat een beleggingsinstelling onder bijzonder overheidstoezicht staat.

De vrijstelling, uit artikel 11, eerste lid, onderdeel i, 3, van de Wet op de Omzetbelasting 1968, ziet op het beheer van door beleggingsfondsen en beleggingsmaatschappijen ter collectieve belegging bijeengebrachte vermogens, waarbij onder beleggingsfondsen in eerste instantie ook instellingen voor collectieve belegging in effecten (hierna: icbe’s) vallen. Daarnaast omvat volgens het HvJ deze vrijstelling ook andere beleggingsfondsen die dezelfde kenmerken vertonen en dus dezelfde handelingen verrichten of die op zijn minst zodanig vergelijkbaar zijn met deze icbe’s dat zij ermee concurreren.

Bijzonder overheidstoezicht

Uit het besluit valt nu op te maken dat in ieder geval de volgende instellingen/fondsen zijn onderworpen aan bijzonder overheidstoezicht:

  1. Icbe’s en beleggingsinstellingen die vergunningplichtig zijn of waarvoor de beheerder vergunningplichtig is op grond van artikel 2:65 respectievelijk 2:69b Wft;
  2. Beleggingsinstellingen die vallen onder het registratieregime (licht toezicht) van artikel 2:66a Wft;
  3. Interne fondsen van verzekeraars die vallen onder het toezicht van DNB en AFM op verzekeraars;
  4. Interne fondsen in een master-feederbeleggingsstructuur die vallen onder het financieel toezicht op de extern opererende feederbeleggingsinstelling of feeder-icbe; en
  5. Pensioenfondsen.

In het besluit wordt nog een nadere toelichting per categorie gegeven.

Voor bijvoorbeeld (van vennootschapsbelasting) vrijgestelde beleggingsinstellingen (VBI’s) en Fondsen voor Gemene Rekening (FGR’s) moet nu voor de btw steeds per fonds worden beoordeeld of voldaan is aan het vereiste van het bijzonder overheidstoezicht.

Geen bijzonder overheidstoezicht

Verder is in het besluit toegelicht dat beleggingsinstellingen die een vergunning hebben op grond van artikel 2:96 Wft en op grond daarvan individueel vermogensbeheer verlenen, niet vallen onder bijzonder overheidstoezicht.

Dit toezicht omvat namelijk niet het vermogen van het fonds. Hetzelfde geldt voor individueel vermogensbeheer op grond van bijvoorbeeld een bankvergunning.

Praktijk

Voor de praktijk is de toelichting in het besluit een goede aanvulling. Voor een aantal instellingen/fondsen is nu duidelijk geworden dat zij zijn onderworpen aan de eis van bijzonder overheidstoezicht.

Indien uw instelling/fonds niet direct onder een van de definities uit de besluit valt is het gelet op de jurisprudentie hieromtrent toch raadzaam om na te gaan of toch het standpunt kan worden ingenomen dat aan die voorwaarde is voldaan. Wij helpen u daar uiteraard graag bij.

Aanvullend helpen wij u uiteraard ook graag bij het verder in kaart brengen van de mogelijke impact van dit besluit op uw onderneming.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met: