HVK Stevens
17/09/2019 HVK Stevens

Prinsjesdag 2019: de belangrijkste fiscale maatregelen

Prinsjesdag 2019 bracht een bonte verzameling aan fiscale wetsvoorstellen. Maar wat betekenen deze voor u persoonlijk of voor uw onderneming? Hieronder vindt u een uitgebreide beschrijving van de belangrijkste fiscale voorstellen en ontwikkelingen voor 2020 en verder.

 

Inkomstenbelasting

Tarief box 1

De aanvankelijk voorgestelde invoeringsdatum per januari 2021 van het tweeschijvenstelsel wordt versneld naar 1 januari 2020. Dit betekent dat inkomen in box 1 tot een bedrag van € 68.507 belast zal worden tegen een tarief van 37,35% (gecombineerd tarief voor inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen voor personen die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet hebben bereikt). Al het inkomen daarboven zal worden belast tegen het toptarief van 49,5%. Per 2021 zal het lage tarief afnemen tot 37,1%.

Tevens worden de arbeids- en algemene heffingskorting extra verhoogd.

Zelfstandigenaftrek

Ter financiering van deze voorgenomen lastenverlichting wordt gesneden in de zelfstandigenaftrek. Per 2020 zal deze aftrekpost jaarlijks stapsgewijs met € 250 worden verlaagd tot uiteindelijk € 5.000 per 2028. Op dit moment bedraagt de zelfstandigenaftrek voor ondernemers nog € 7.280.

Aftopping hypotheekrenteaftrek en beperking Wet Hillen

Zoals reeds eerder aangekondigd zal de hypotheekrenteaftrek in 2020 in de hoogste schijf nog slechts tegen 46% aftrekbaar zijn. Tevens zal de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld (Wet Hillen) nog slechts voor 93,33% in aanmerking genomen mogen worden. Kortom, indien er géén of geringe eigenwoningschuld is zal 6,67% van het eigenwoningforfait bijgeteld worden bij het inkomen.

Tarief box 2

De verhogingen van het tarief in box 2, zoals eerder aangekondigd op Prinsjesdag 2018, blijven ongemoeid. Het tarief zal derhalve worden verhoogd van 25% naar 26,25% in 2020 en 26,9% in 2021. Dit ondanks de beperking van de verlaging van het toptarief in de vennootschapsbelasting (zie onder).

Rekening-courantmaatregel

Op Prinsjesdag 2018 heeft het kabinet de rekening-courantmaatregel aangekondigd. Afgelopen maart heeft het kabinet hiervoor een wetsvoorstel ter consultatie aangeboden. Op basis van het wetsvoorstel moeten aanmerkelijkbelanghouders vanaf 2022 inkomstenbelasting in box 2 betalen over leningen van hun vennootschap, voor zover die leningen aan het einde van het kalenderjaar méér bedragen dan € 500.000 en niet zijn aangegaan ter financiering van de eigen woning. Op het wetsvoorstel is veel commentaar geweest. Mogelijk om deze reden heeft het kabinet het definitieve wetsvoorstel op deze Prinsjesdag niet bij de Tweede Kamer ingediend. Dat wetsvoorstel wordt nu aangekondigd voor het vierde kwartaal van dit jaar.

De rekening-courantmaatregel zal op veel directeuren-grootaandeelhouders financiële impact hebben. Gezien de verhoging van het tarief in box 2 per 1 januari aanstaande is het in veel gevallen zaak om nog dit jaar op de maatregel in te spelen.

Hervorming box 3

Daarbij zal ook rekening gehouden moeten worden met de aangekondigde hervorming van de vermogensrendementsheffing in box 3. Ondanks de positieve ondertoon van staatssecretaris Snel bij de aankondiging van de hervorming, zal deze met name voor veel directeuren-grootaandeelhouders niet positief uitvallen. Vooral personen met gefinancierde beleggingen (zoals bijvoorbeeld vastgoed) zullen de nadelen van de aangekondigde hervorming ondervinden. Onder het huidige voorstel gaan personen met een vermogen van méér dan circa € 30.000 en met méér dan circa € 7.500 aan beleggingen nadelen van het nieuwe systeem ondervinden. De staatssecretaris heeft aangekondigd om vóór de zomer van 2020 met een wetsvoorstel voor de hervorming van box 3 te komen.

Tarieven vennootschapsbelasting

De eerder tijdens Prinsjesdag 2018 aangekondigde verlaging van het toptarief in de vennootschapsbelasting wordt uitgesteld. Dat toptarief, voor winsten boven de € 200.000, blijft in 2020 namelijk gelijk met 25% (dat zou 22,55% worden) en de verlaging in 2021 wordt beperkt tot een tarief van 21,7% (dat zou 20,50% worden).

De tarieven voor winsten tot € 200.000 zullen blijven dalen zoals vorig jaar bepaald naar 16,5% in 2020 en naar 15% in 2021.

Overige maatregelen vennootschapsbelasting

Aanpassing tarief innovatiebox

Het kabinet spreekt het voornemen uit het tarief van de innovatieboxregeling met ingang van 2021 te verhogen van 7% naar 9%. Dit voornemen heeft echter nog niet de status van wetsvoorstel.

Aanpassing liquidatie- en stakingsverliesregeling

Onder de huidige wetgeving kunnen vennootschapsbelastingplichtigen – onder voorwaarden – nog onbeperkt verliezen die het gevolg zijn van de ontbinding van een dochteronderneming of het staken van een bedrijfsactiviteit in het buitenland aftrekken van de winst die zij in Nederland maken.

Het kabinet kondigt aan de lijn te volgen van een ontwerp-initiatiefwetsvoorstel van enkele Tweede Kamerleden dat eerder al ter consultatie is gepubliceerd.

In dit ontwerp-initiatiefwetsvoorstel wordt de liquidatie- en stakingsverliesregeling zo aangepast dat bedrijven minder vaak zo’n verlies kunnen aftrekken. Met de aanpassing wordt beoogd het niet meer mogelijk te maken om een liquidatie- of stakingsverlies te nemen op deelnemingen en vaste inrichtingen buiten de Europese Unie (EU) en de Europese Economische Ruimte (EER) en de mogelijkheden tot timing van de aftrek van het liquidatie- en stakingsverlies te beperken. Daarnaast geldt dat liquidatieverliezen slechts in aanmerking kunnen worden genomen voor deelnemingen waarin een kwalificerend belang wordt gehouden. Daarvan is sprake bij een belang meer dan 25%, alsmede bij een belang dat voldoende is om de activiteiten van de desbetreffende deelneming te bepalen. Onder de huidige wetgeving is een belang van 5% voldoende voor het in aanmerking nemen van het liquidatieverlies op een deelneming.

Voor zowel de liquidatie- als de stakingsverliesregeling geldt volgens het ontwerpwetsvoorstel een drempel van € 1.000.000. Dat betekent dat de aangekondigde beperkingen niet gelden tot een bedrag van € 1.000.000 aan liquidatie- of stakingsverliezen.

De aanpassingen van de liquidatie- en stakingsverliesregeling moeten op 1 januari 2021 van kracht worden. Opvallend in dit kader is dat in het ontwerpwetsvoorstel geen overgangsrecht is voorgesteld voor lopende liquidaties van non-EU-deelnemingen en deelnemingen waarin geen kwalificerend belang wordt gehouden waarvan de vereffening op of na 1 januari 2021 zal worden voltooid. Die verliezen komen niet meer voor aftrek in aanmerking.  Het verdient daarom aanbeveling om haast te maken met de vereffening van die liquidaties.

Minimumkapitaalregel voor banken en verzekeraars

Het kabinet streeft ernaar financiering van bedrijven gezonder te maken door financiering met vreemd vermogen fiscaal te ontmoedigen. Met dit doel heeft het kabinet vorig jaar al een algemene renteaftrekbeperking in de vennootschapsbelasting ingevoerd voor alle belastingplichtigen (de ‘earningsstrippingregeling’). De earningsstrippingregeling grijpt alleen aan indien per saldo méér dan € 1.000.000 aan rente verschuldigd is. Omdat banken en verzekeraars in de regel meer rente ontvangen dan betalen, heeft de earningsstrippingregeling op banken en verzekeraars vaak geen effect. Om de fiscale prikkel voor banken en verzekeraars zich met vreemd vermogen te financieren te beperken, stelt het kabinet voor om de renteaftrek van banken en verzekeraars te beperken voor zover het vreemd vermogen méér bedraagt dan 92% van het balanstotaal (of omgekeerd het eigen vermogen minder dan 8%). Als peildatum geldt steeds 31 december.

De maatregel is beperkt tot lichamen met een vergunning of een afschrift van een mededeling voor het uitoefenen van het bedrijf van bank of verzekeraar in Nederland. Dit kunnen banken of verzekeraars zijn met zetel in Nederland of dochtermaatschappijen of vaste inrichtingen van buitenlandse banken of verzekeraars.

Onderwijsvrijstelling internationale scholen

Van overheidswege gefinancierde scholen zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting mits ze nagenoeg geen andere financiering ontvangen. De vrijstelling kan te beperkt uitwerken voor scholen met een internationale afdeling. Die wordt vaak voor een deel gefinancierd door middel van een verplichte ouderbijdrage. Het kabinet is van mening dat in deze situatie een onbedoelde belastingplicht ontstaat. Daarom wordt voorgesteld om de vrijstelling te verruimen voor dit soort gevallen met terugwerkende kracht tot 1 januari 2016.

Uitbreiding vrijstelling interne overheidsactiviteiten

Bij de vrijstelling voor interne activiteiten en quasi-inbestedingsvrijstelling bleek onvoldoende rekening te zijn gehouden met de manier waarop het Rijk zich kan organiseren. De vrijstelling is onder de huidige wetgeving niet van toepassing indien taken door de overheid zijn ondergebracht in publiekrechtelijke rechtspersonen, terwijl de vrijstelling wel van toepassing was geweest indien deze waren ondergebracht in privaatrechtelijke rechtspersonen. Om deze ongelijke behandeling aan te passen wordt de reikwijdte van de vennootschapsbelastingvrijstelling in het wetsvoorstel uitgebreid tot eerstgenoemde situatie per 1 januari 2016.

Belastingrente

Voor de vennootschapsbelasting wordt geen belastingrente meer berekend indien de aanslag is opgelegd overeenkomstig de ingediende aangifte, indien de aangifte is ingediend binnen vijf maanden na afloop van het (fiscale) boekjaar. Dat is momenteel drie maanden. Dit gaat gelden vanaf de aangifte voor het fiscale boekjaar 2019.

Loonheffingen – werkkostenregeling

Vrijstelling voor de vergoeding van de Verklaring Omtrent het Gedrag

Vanaf 2020 komt de Verklaring Omtrent het Gedrag niet meer ten laste van de vrije ruimte, maar zal deze worden opgenomen in de wet als een gerichte vrijstelling.

Verlenging uiterste moment aangifte en afdracht eindheffing

Werkgevers mogen vanaf 2020 het bedrag van de verschuldigde eindheffing in verband met het overschrijden van de vrije ruimte van een kalenderjaar uiterlijk tegelijk aan geven met de aangifte over het tweede aangiftetijdvak van het volgend kalenderjaar.

Verruiming werkkostenregeling

Op dit moment bedraagt de vrije ruimte 1,2% van de fiscale loonsom van alle werknemers van de inhoudingsplichtige samen. Vanaf 2020 wordt de vrije ruimte in de werkkostenregeling verruimd van 1,7% van de fiscale loonsom tot € 400.000. Voor zover de fiscale loonsom boven de € 400.000 uitkomt blijft het percentage van 1,2% gelden.

Waardering product eigen bedrijf

Er bestond een discrepantie tussen de vaststelling van de waarde van producten uit eigen bedrijf (waarde wordt bepaald op het door de werkgever aan derden in rekening te brengen bedrag) en de vaststelling van de waarde voor de gerichte vrijstelling voor branche-eigen producten (waarde economisch verkeer). Om de bepaling van de waarde van het product uit het eigen bedrijf in lijn te brengen met de kortingsregeling, wordt voorgesteld om de waarde van de producten uit eigen bedrijf steeds te stellen op de waarde in het economische verkeer. Opgemerkt is dat dit meestal de consumentenprijs is.

Loonheffingen – overige maatregelen

Indexeren vrijwilligersregeling

Voorgesteld is om per 2020 het maximumbedrag van de vrijwilligersvergoeding jaarlijks te indexeren. Het maximumbedrag van de vrijwilligersvergoeding wordt afgerond op € 100 waardoor het niet elk jaar zal stijgen. Verwacht wordt dat de verhoging hierdoor effectief zal worden in 2021.

Dwangsom

Indien een werkgever bestuursrechtelijke dwangsommen, geldsommen bij strafbeschikkingen en vergelijkbare buitenlandse dwangsommen en geldsommen gaat vergoeden of verstrekken aan haar werknemer, behoort dit tot het loon van werknemer. Het is niet mogelijk om dit loonbestanddeel aan te wijzen als eindheffingsbestanddeel.

Fiscale maatregelen vastgoedsector

Het kabinet heeft veel maatregelen in petto voor de vastgoedsector, zoals de eerder aangekondigde veranderingen in de heffing van inkomstenbelasting in box 3 (zie dit artikel), de mogelijke noodknop middenhuur en het vandaag, vóór Prinsjesdag, aangekondigde onderzoek tot zelfbewoningsplicht van woningen. Tevens mogen woningverhuurders bij het bepalen van de maximale huurprijs de WOZ-waarde nog maar voor 33 procent meetellen. Prinsjesdag zelf bracht de volgende fiscale maatregelen.

Tarief overdrachtsbelasting voor niet-woningen naar 7% in 2021

Het kabinet stelt voor het tarief van de overdrachtsbelasting voor niet-woningen te verhogen met 1%-punt van 6% naar 7% ter dekking van overige uitgaven. Het belastingpakket bevat nog geen voorstel voor afschaffing van overdrachtsbelasting voor starters op de woningmarkt.

Verlaging verhuurderheffing in bijzondere gevallen

Binnen de verhuurderheffing worden twee maatregelen voorgesteld, die dienen om de bouw van (tijdelijke) woningen te stimuleren. Er komt een structurele vermindering van de verhuurderheffing voor nieuwbouw in schaarstegebieden en een tijdelijke vrijstelling voor woningen met een tijdelijk karakter. Om voor de voorgestelde heffingsvermindering in aanmerking te komen, dient de huurwoning een huurprijs te hebben onder de laagste aftoppingsgrens in de huurtoeslag (€ 607,46 in 2019). Indien aan alle voorwaarden wordt voldaan, geldt een heffingsvermindering van € 25.000 per woning. De minimale investeringskosten dienen € 62.500 te zijn en de bouw van de woning dient te zijn gestart op of na 1 januari 2020.

Conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen

Het kabinet introduceert opnieuw een conditionele bronbelasting op uitgaande rente- en royaltybetalingen die per 1 januari 2021 van kracht moet worden. Deze bronbelasting is gericht op het tegengaan van grondslagverschuiving van of via Nederland naar laagbelastende landen. Voorgesteld wordt dat het tarief van de bronbelasting gelijk is aan het hoogste statutaire tarief in de vennootschapsbelasting. Per 2021 zal dit op grond van de huidige voorstellen 21,7% zijn.

De bronbelasting is verschuldigd indien een in Nederland gevestigd lichaam rente- of royaltybetalingen doet aan een gelieerd lichaam dat is gevestigd in een laagbelastend land. Een laagbelastend land is een staat:

– die minder dan 9% (of geen) vennootschapsbelasting heft, dan wel
– is opgenomen op de EU-lijst voor niet-coöperatieve rechtsgebieden.

De bronbelasting op rente- en royaltybetalingen geldt daarnaast ook in misbruiksituaties. Hierbij moet met name worden gedacht aan het tussenschuiven van een vennootschap in een derde land tussen Nederland en het laagbelastende land zonder voldoende zakelijke redenen.

Bestuurders van de inhoudingsplichtige voor de bronbelasting worden hoofdelijk aansprakelijk voor de in te houden belasting.

Gewijzigde rol van substancevoorwaarden voor dividendbelasting en technisch aanmerkelijk belang

Al enige jaren zijn voor toepassing van de antimisbruikbepalingen in dividendbelasting en vennootschapsbelasting substancevoorwaarden opgenomen waaraan een tussenhoudster ten minste moet voldoen om te kunnen spreken van “geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen”. Deze voorwaarden fungeren als een zogenaamde “safe harbour”: zolang aan deze minimum-substancevoorwaarden wordt voldaan, is geen sprake van een zogenaamde kunstmatige constructie en bestaat voor de tussenhoudster vrijstelling van dividendbelasting en is geen sprake van een zogenaamd technisch aanmerkelijk belang.

Naar aanleiding van arresten van 26 februari jl. van het Hof van Justitie van de Europese Unie werd al duidelijk dat deze substance-eisen niet langer als “safe harbour” mochten blijven gelden. Deze substance-eisen zullen nu enkel een rol gaan spelen bij de bewijslastverdeling omtrent de aanwezigheid van zakelijke redenen voor een tussenhoudster in een vennootschappelijke structuur.

Hierdoor kan de Belastingdienst ook in situaties waarin is voldaan aan de minimum-substancevoorwaarden misbruik bestrijden. De inspecteur dient aannemelijk te maken dat ondanks het hebben van een minimum niveau aan lokale substance toch sprake is van misbruik. Anderzijds blijft de mogelijkheid bestaan voor belastingplichtigen en inhoudingsplichtige om ook bij het niet voldoen aan de minimum-substancevoorwaarden middels tegenbewijs aannemelijk te maken dat geen sprake is van misbruik.

Onduidelijk is vooralsnog of deze spelregels alleen gaan gelden voor tussenhoudsters in vennootschappelijke structuren of ook open komen te staan voor persoonlijke houdstermaatschappijen.

Vaste inrichting en vaste vertegenwoordiger

Eerder dit jaar heeft Nederland het zogenaamde Multilateraal Instrument (“MLI”) geratificeerd. Als gevolg hiervan wordt een groot aantal belastingverdragen in één keer aangepast naar nieuwe OESO-normen zonder dat hiervoor nieuwe verdragsonderhandelingen nodig zijn. Het wetsvoorstel voorziet in een ruimere definitie van het begrip ‘vaste inrichting’, waardoor buitenlandse bedrijven vanaf 1 januari 2020 voor de heffing van inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting én loonbelasting eerder worden geacht over een vaste inrichting in Nederland te beschikken.

De positie van de vaste en onafhankelijke vertegenwoordiger (‘agent’) verdient hierbij bijzondere aandacht. Een buitenlandse onderneming die zich in Nederland door agenten laat vertegenwoordigen die namens die onderneming onderhandelingen met Nederlandse afnemers voeren, zal eerder worden geacht te beschikken over een vaste inrichting in Nederland.

Omdat Nederland op dit onderdeel (voorlopig) een voorbehoud heeft gemaakt, werkt deze wijziging (vooralsnog) niet door naar onder de MLI aangemelde belastingverdragen en zal de buitenlandse onderneming niet in alle gevallen in Nederland ook daadwerkelijk belastingplichtig worden voor inkomsten – of vennootschapsbelasting. Wél zal de buitenlandse onderneming in Nederland inhoudingsplichtig worden voor de loonbelasting.

BTW – vereenvoudiging handelsverkeer

Per 1 januari 2020 zullen vier zogenoemde ‘quick fixes’ worden geïmplementeerd in de Wet op de omzetbelasting 1968 welke gericht zijn op het harmoniseren en vereenvoudigen van het handelsverkeer bij grensoverschrijdende leveringen van goederen tussen ondernemers in de EU. De wijzigingen vloeien voort uit een Europese Richtlijn. De maatregelen hebben betrekking op de volgende onderwerpen.

De vereenvoudiging van de regeling inzake voorraad op afroep in een ander EU-land

De vereenvoudiging heeft betrekking op voorraden die worden aangehouden in een ander EU-land waarbij het dan moet gaan om voorraden die in dat EU-land worden opgeslagen voor een afnemer die vooraf al bekend is en waarvan het eigendom pas overgaat zodra deze afnemer de voorraden afroept.

Voor dergelijke “voorraden op afroep” is het overbrengen van de goederen naar het EU-land waar ze worden opgeslagen, voor de leverancier, niet langer een belastbaar feit waarvoor een registratie- en aangifteverplichting geldt in het EU-land van aankomst. Uitsluitend wanneer de afnemer de goederen afroept in het EU-land waar de goederen worden opgeslagen vindt een intracommunautaire levering plaats vanuit het EU-land van vertrek en een intracommunautaire verwerving door de afnemer in het EU-land van bestemming.

De regels voor opeenvolgende grensoverschrijdende leveringen binnen de EU

Deze regeling ziet op zogenoemde ketentransacties. Bij een ketentransactie gaat het om de levering van goederen tussen drie of meer ondernemers in verschillende EU-landen, waarbij maar één keer sprake is van een intracommunautaire goederenlevering.

De regeling bepaalt aan welke van de opvolgende leveringen in de keten het intracommunautair vervoer of de verzending moet worden toegeschreven. Alleen die levering wordt dan aangemerkt als de intracommunautaire levering. De overige leveringen binnen de keten worden aangemerkt als een binnenlandse levering. Met deze geharmoniseerde regeling wordt beoogd te voorkomen dat lidstaten een verschillende aanpak volgen, die tot dubbele belastingheffing of geen belastingheffing zou kunnen leiden, en wordt de rechtszekerheid voor ondernemers vergroot.

De bewijsregels voor grensoverschrijdende leveringen binnen de EU

Vanaf 1 januari 2020 moet om het nultarief bij grensoverschrijdende leveringen binnen de EU te mogen toepassen voldoende bewijs worden geleverd. De nieuwe regeling verandert dit uitgangspunt niet maar brengt het aantal bewijsstukken dat hiervoor is benodigd terug tot twee niet tegenstrijdige bewijsstukken (zoals bijvoorbeeld een CRM-vrachtbrief en bankafschrift van de betaling van het vervoer).

De status van het btw-identificatienummer van de afnemer voor leveringen binnen de EU

Bij grensoverschrijdende leveringen binnen de EU mag onder voorwaarden het nultarief worden toegepast. Als aanvullende voorwaarde geldt hierbij vanaf 1 januari 2020 dat de afnemer een geldig btw-identificatienummer heeft. Daarbij wordt ook het indienen van een juiste periodieke “intracommunautaire prestaties opgaaf, ICP” onderdeel van de voorwaarden voor toepassing van het nultarief. Het vermelden van een juist btw-identificatienummer is daarbij inherent aan het indienen van een juiste Opgaaf ICP.

Indien de ondernemer niet aan deze voorwaarde heeft voldaan, vervalt de aanspraak op toepassing van het nultarief op die levering, tenzij hij naar het oordeel van de inspecteur alsnog de vereiste voorwaarden vervult. Dit kan bijvoorbeeld door binnen een bepaalde termijn het juiste btw-identificatienummer van zijn afnemer te overleggen. Hiermee bestaat dus de mogelijkheid van herstel.

BTW – overig

Verlaagd btw-tarief voor elektronische publicaties

Per 1 januari 2020 zal het verlaagde btw-tarief van 9% worden uitgebreid tot digitale boeken, kranten en tijdschriften.

Verdere implementatie btw-richtlijn e-commerce

Per 1 januari 2021 moet Nederland de EU-Richtlijn ter vereenvoudiging van de btw-regels voor afstandsverkopen van goederen volledig geïmplementeerd hebben. Deze wetgeving is met name gericht op de modernisering en vereenvoudiging van de heffing en inning van de btw op grensoverschrijdende internetverkopen aan particulieren. Zo verdwijnen de huidige drempels voor de afstandsverkopenregeling. De MOSS-aangifte wordt uitgebreid tot afstandsverkopen binnen de EU en andere diensten die door ondernemingen aan particulieren worden verricht. Het wetsvoorstel implementatie Richtlijn e-commerce is doorgeschoven naar het eerste kwartaal van 2020.

Erfbelasting

Per 1 januari 2019 geldt dat geen belastingrente (van 4% per jaar) in rekening wordt gebracht indien binnen 8 maanden na het overlijden wordt verzocht om een voorlopige aanslag of aangifte erfbelasting wordt gedaan én de voorlopige of definitieve aanslag erfbelasting conform dat verzoek of die aangifte wordt opgelegd.

Voor bijzondere gevallen waarbij de termijn van 8 maanden voor het indienen van de aangifte erfbelasting op een later moment aanvangt dan de dag van overlijden, zoals bijvoorbeeld een zwangerschap waardoor de erfgenaam nog onzeker is of een verkrijging onder een bepaalde voorwaarde, is voorgesteld dat ook géén belastingrente in rekening zal worden gebracht indien het verzoek om een voorlopige aanslag of de aangifte erfbelasting is ontvangen binnen de aangiftetermijn die in deze specifieke situatie geldt (bijvoorbeeld 8 maanden na de geboorte van de erfgenaam of 8 maanden na vervulling van de voorwaarde) én indien de voorlopige of definitieve aanslag erfbelasting uiteindelijk wordt vastgesteld conform dat verzoek of die aangifte.

Auto

Bijtelling elektrische auto’s

De lagere bijtelling op elektrische auto’s van de zaak wordt volgend jaar niet afgeschaft, zoals eerder was voorgesteld, maar de komende jaren wel verhoogd totdat deze in 2026 gelijk is aan de bijtelling op niet-emissievrije auto’s. In 2020 stijgt de bijtelling voor elektrische auto’s al naar 8% (was 4%) en vervolgens naar 12% in 2021. Tevens wordt het gedeelte van de catalogusprijs waarvoor de verlaagde bijtelling geldt verlaagd van € 50.000 naar € 45.000 in 2020, en daarna naar € 40.000.

Aanpassing CO2-schijven en tarieven BPM

De hoogte van de BPM is afhankelijk van de CO2-uitstoot van een auto. De testmethode waarmee deze uitstoot wordt gemeten is vanaf 1 juli 2020 verplicht gebaseerd op de zgn. WLTP-testmethode. Om te voorkomen dat méér BPM verschuldigd wordt als gevolg van de verplichtstelling van de WLTP-testmethode, worden CO2-schijven en tarieven in de BPM gewijzigd. Het effect van deze nieuwe methode, schijven en tarieven op het BPM-bedrag kan per auto verschillen. Mocht u een nieuwe auto willen aanschaffen kan het lonen om dit vóór of juist na 1 juli 2020 te doen.

Formeelrechtelijke wijzigingen

Inkeerregeling

De boetevrije inkeer wordt uitgesloten voor inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2 in de inkomstenbelasting). Daarnaast is voorgesteld dat boetevrij inkeren ook niet meer mogelijk wordt voor inkomen uit sparen en beleggen (box 3 van de inkomstenbelasting) dat in het binnenland is opgekomen. Voor inkomen uit sparen en beleggen dat in het buitenland is opgekomen, was dat al eerder onmogelijk gemaakt.

De boetevrije inkeer is mogelijk indien binnen twee jaar na een onjuiste of onvolledige aangifte nog een juiste of volledige aangifte wordt gedaan (vóórdat bekend is of redelijkerwijs bekend had moeten zijn dat de inspecteur met de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of zal worden). Na twee jaar zal er een vergrijpboete worden opgelegd. Het vrijwillig inkeren blijft wel een omstandigheid die aanleiding kan geven tot matiging van de vergrijpboete.

Spontane aangiften

Eenieder die door de inspecteur is uitgenodigd tot het doen van aangifte is hiertoe verplicht. Indien een belastingplichtige niet is uitgenodigd terwijl er wél sprake is van te betalen belasting, is de belastingplichtige verplicht de inspecteur te verzoeken om een uitnodiging tot het doen van aangifte.
Het komt echter regelmatig voor dat belastingplichten toch aangifte doen zonder daarvoor te zijn uitgenodigd: de zogenaamde spontane aangifte. Omdat bij de spontane aangifte de wettelijke aangifteplicht ontbreekt, kan de inspecteur een aantal wettelijke correctie- en sanctiebevoegdheden niet inzetten indien de spontane aangifte onjuist is (onder meer omkering van de bewijslast).
De voorgestelde aanpassingen van de AWR zorgen ervoor dat dit onderscheid tussen reguliere en spontane aangiften verdwijnt. Hiermee worden aan spontane aangiften bij aanslagbelastingen dezelfde wettelijke correctie- en sanctiebevoegdheden verbonden.

Communicatie met de Belastingdienst

In de Algemene wet inzake rijksbelastingen, Invorderingswet 1990 en de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen wordt voorgesteld dat de belanghebbende de keuze heeft om of digitaal of per reguliere post met de Belastingdienst Toeslagen te corresponderen. Een eenmaal gemaakte keuze kan door de belanghebbende worden weer worden veranderd. Daarbij wordt voorgesteld dat er een ministeriële regeling komt waarbij berichten, groepen van belanghebbenden of omstandigheden worden aangewezen waarvoor, voor wie, onderscheidenlijk waaronder, geldt dat de Belastingdienst/Toeslagen berichten uitsluitend langs elektronische weg dan wel uitsluitend anders dan langs elektronische weg aan een belanghebbende verzendt. Een dergelijke nadere invulling is niet gegeven. Wordt niet binnen een door de Belastingdienst gestelde termijn een keuze gemaakt dan beslist de Belastingdienst.

Openbaarmaking vergrijpboeten adviseurs

In lijn met de recente ontwikkelingen rondom transparantie en de aanpak van belastingontduiking heeft het kabinet voorgesteld om onherroepelijk geworden vergrijpboeten welke wegens medeplegen zijn opgelegd aan fiscale adviseurs (lees: beroepsbeoefenaars), openbaar te maken.

Blijkens de memorie van toelichting is het enige doel van de maatregel om het publiek voor te lichten over adviseurs die door middel van medeplegen, belastingontduiking of toeslagfraude hebben gefaciliteerd. Ondanks dat de maatregel een preventieve werking en een bestraffend karakter heeft, wordt dit opvallend genoeg niet genoemd als doel van de maatregel. Het is echter noodzakelijk dat het doel van een maatregel volstrekt helder en eenduidig wordt aangegeven, zoals de Raad van State eveneens heeft benadrukt in een kritisch advies inzake dit wetsvoorstel.

Alvorens de inspecteur, na toestemming van de directeur van het betreffende onderdeel van de Belastingdienst, overgaat tot openbaarmaking wordt de overtreder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. Aangezien het gaat om een voor bezwaar vatbare beschikking heeft de overtreder de mogelijkheid in bezwaar en indien nodig in beroep te gaan. Dit neemt niet weg dat het opvallend is dat de inspecteur degene is die de beslissende rol heeft ten aanzien van het openbaar maken van de boete. Openbaarmaking vindt niet eerder plaats dan nadat zowel de aan de adviseur (als medepleger) opgelegde vergrijpboete als het besluit tot openbaarmaking onherroepelijk vaststaat.

Verder is opvallend dat vooralsnog geen concrete handvatten zijn gegeven ten aanzien van de proportionaliteitstoets (blijkens de Memorie van Toelichting zou dit in de toekomst mogelijk kunnen zijn). Er wordt opvallend genoeg geen minimumboetebedrag gehanteerd al zou de inspecteur de hoogte van de boete wel kunnen meenemen in zijn belangenafweging.

Naast het besluit tot openbaarmaking worden de relevante gegevens openbaar gemaakt, waaronder de hoogte van de boete. Deze gegevens blijven vijf jaren openbaar beschikbaar op de website. De Belastingdienst kan niet garanderen dat na vijf jaren alle gegevens van het internet zijn verwijderd. Als reden wordt gegeven dat de overheid enkel haar eigen website beheert.

Opvallend is tenslotte eveneens dat in de toelichting niet wordt genoemd welke naam openbaar gemaakt wordt. Er wordt enkel aangegeven dat het kan gaan om zowel een natuurlijk persoon als rechtspersoon.

 

HVK Stevens nodigt u graag uit voor de Prinsjesdag 2019 Update op donderdag 19 september. Klik hier voor meer informatie.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met: